Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200600668/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant van 25 mei 2005 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Brand Oil Servicestations B.V." (hierna: Brand Oil) wegens overtreding van onder meer voorschriften opgenomen in bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.40
Wet milieubeheer 8.44
Besluit tankstations milieubeheer
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/3417
Milieurecht Totaal 2007/4671
JM 2007/37 met annotatie van de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600668/1.

Datum uitspraak: 17 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Apeldoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant van 25 mei 2005 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Brand Oil Servicestations B.V." (hierna: Brand Oil) wegens overtreding van onder meer voorschriften opgenomen in bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit), afgewezen.

Bij brief van 7 augustus 2005 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant van 2 oktober 2005 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van Brand Oil wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, afgewezen.

Bij brief van 11 november 2005 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 18 januari 2006, bij de rechtbank Zutphen ingekomen op 20 januari 2006 en doorgezonden aan de Raad van State, heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 7 augustus 2005.

Bij besluit van 24 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit), verzonden op 27 februari 2006, heeft verweerder alsnog beslist en de door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2006, heeft appellant hiertegen beroep ingesteld.

Bij brief van 11 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. drs. T.L. Fernig, en verweerder, vertegenwoordigd door W. van Asselt, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

   Ingevolge artikel 6:2 van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld.

   Artikel 6:20, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit het bestuursorgaan verplicht blijft een besluit op de aanvraag te nemen.

2.1.1.    Bij brief van 7 augustus 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 juni 2005. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaarschrift beslist. Nu verweerder evenwel op 24 februari 2006 alsnog op het bezwaar heeft beslist, heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.

   Het beroep van 18 januari 2006 dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2.    Bij brief van 25 mei 2005 heeft appellant verweerder verzocht handhavend op te treden met betrekking tot Brand Oil in verband met overtreding van een aantal voorschriften van bijlage I van het Besluit en tevens van voorschriften van de bij besluit van 29 oktober 2004 aan Brand Oil verleende milieuvergunning. Bij uitspraak van 28 september 2005 heeft de Afdeling de verleende milieuvergunning vernietigd. Bij brief van 2 oktober 2005 heeft appellant vervolgens verzocht om handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft beide verzoeken bij afzonderlijke besluiten afgewezen. De tegen deze besluiten gerichte bezwaren heeft verweerder vervolgens bij één brief van 24 februari 2006 ongegrond verklaard, waartegen het beroep van 9 maart 2006 is gericht. Het geding heeft dan ook betrekking op beide, bij het bestreden besluit gehandhaafde, afwijzingen van de verzoeken van appellant om handhaving.

2.3.    Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

2.4.    Appellant betoogt dat bij het bestreden besluit onvoldoende is onderzocht of door Brand Oil wordt voldaan aan de voorschriften van de aan haar verleende milieuvergunning. Hoewel de milieuvergunning inmiddels is vernietigd, zijn deze voorschriften volgens appellant nog steeds van belang omdat deze voorschriften door verweerder aan een door deze inmiddels genomen gedoogbesluit zijn verbonden.

2.4.1.    De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 september 2005 het besluit van 29 oktober 2004, waarbij aan Brand Oil een milieuvergunning is verleend, in zijn geheel vernietigd. Van handhaving van dit besluit en de daarin opgenomen voorschriften kon vanaf dat moment dan ook geen sprake zijn, zodat verweerder in zoverre het verzoek om handhaving terecht heeft afgewezen. De door appellant bedoelde gedoogverklaring maakt dit niet anders, nu dit besluit eerst ná het bestreden besluit is genomen en geen onderdeel vormt van onderhavig geding. De beroepsgrond faalt.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of wordt voldaan aan de in zijn verzoek genoemde voorschriften van bijlage I van het Besluit.

2.5.1.    Volgens verweerder kan geen sprake meer zijn van overtredingen van bijlage I van het Besluit. Nu de milieuvergunning voor het in werking hebben van een onbemand tankstation door de Afdeling is vernietigd, zijn ook de in die bijlage opgenomen voorschriften niet langer van toepassing, aldus verweerder.

2.5.2.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit wordt onder tankstation voor het wegverkeer type A verstaan: een tankstation voor het wegverkeer niet zijnde een tankstation voor het wegverkeer type B.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, wordt, voor zover thans van belang, onder tankstation voor het wegverkeer type B verstaan: een tankstation voor het wegverkeer, voor zover:

8°. de kortste afstand tussen een woning van derden of een gevoelig object van derden en een afleverzuil waar aflevering van benzine of gasolie, zonder direct toezicht mogelijk is, ten minste 20 m bedraagt;

   Ingevolge artikel 2 van het Besluit dient - voor zover thans van belang - degene die een tankstation voor het wegverkeer type A drijft, behalve aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, te voldoen aan de voorschriften, die zijn opgenomen in de bij het Besluit behorende bijlage I, alsmede aan de krachtens de vergunningvoorschriften door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen.

2.5.3.    De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het tankstation van Brand Oil en de woning van appellant kleiner is dan 20 meter. Het tankstation is onbemand en derhalve zonder direct toezicht in werking. Gelet op artikel 1 van het Besluit is het tankstation derhalve een tankstation voor het wegverkeer type A. Dit brengt met zich dat Brand Oil aan de voorschriften, opgenomen in bijlage I van het Besluit dient te voldoen. Het Besluit biedt geen grond voor het oordeel dat dit eerst het geval is nadat de noodzakelijke milieuvergunning is verleend. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat bijlage I van het Besluit niet van toepassing is en dat reeds daarom geen sprake kan zijn van een overtreding. Nu niet is onderzocht of Brand Oil de door appellant in zijn verzoek genoemde voorschriften van bijlage I naleeft, is het besluit in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

2.6.    Appellant betoogt voorts dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhaving wegens strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

2.6.1.    Volgens verweerder bestond ten tijde van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie, nu op dat moment reeds een nieuwe aanvraag om verlening van een milieuvergunning was ontvangen. Aangezien deze aanvraag is aangepast aan hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2005 tot vernietiging heeft geleid en voor het overige overeenkomstig de eerder ingediende aanvraag is, kan volgens verweerder op korte termijn een besluit worden genomen en de situatie worden gelegaliseerd.

2.6.2.    Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten en in werking te hebben.

2.6.3.    Niet in geschil is dat de inrichting in strijd met het bepaalde in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking is, zodat verweerder ter zake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.4.    De Afdeling stelt vast dat onduidelijkheid over het opstelpunt van de tankwagen voor de Afdeling aanleiding vormde om bij uitspraak van 28 september 2005 de eerder verleende milieuvergunning te vernietigen. Voorafgaand aan het bestreden besluit heeft Brand Oil een nieuwe aanvraag om verlening van een milieuvergunning ingediend. In die aanvraag is in vergelijking met de eerdere aanvraag alleen het opstelpunt van de tankwagen gewijzigd en de aanvraag in zoverre in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Verweerder heeft de aanvraag in behandeling genomen en is voornemens deze aanvraag in te willigen.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder terecht geconcludeerd dat concreet uitzicht bestaat op legalisatie en het verzoek om handhaving wegens strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer op goede gronden afgewezen. De beroepsgrond faalt.

2.7.    Het beroep van 9 maart 2006 is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving wegens overtreding van een aantal voorschriften uit bijlage I van het Besluit ongegrond is verklaard. Voor het overige is het beroep ongegrond.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van 18 januari 2006 niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van 9 maart 2006 gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 24 februari 2006, kenmerk PD/JAV/CK/003719536, voor zover daarbij de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving wegens overtreding van bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer ongegrond zijn verklaard;

IV.    verklaart het beroep van 9 maart 2006 voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 859,99 (zegge: achthonderdnegenenvijftig euro en negenennegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 724,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Apeldoorn aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Apeldoorn aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep van 18 januari 2006 betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Blok

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007

428