Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200608176/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor groenrecycling, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bronckhorst, nummers […] (gedeeltelijk), […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 19 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2007/3 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608176/2.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor groenrecycling, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bronckhorst, nummers […] (gedeeltelijk), […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 19 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 december 2006, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Wolbers, advocaat te Arnhem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T. van Esch en ir. H.D. de Jong-Hekkelman, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en ing. H. Neelen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verweerder heeft ter zitting betoogd dat niet alle verzoekers als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Voorts is volgens hem onduidelijk of door alle verzoekers beroep is ingesteld en hebben niet alle verzoekers zienswijzen ingediend tegen het ontwerp van het besluit.

   Door verzoekers is één verzoekschrift ingediend. Niet in geschil is dat een aantal verzoekers als belanghebbende kan worden aangemerkt en dat door hen zienswijzen zijn ingediend tegen het ontwerp van het besluit. De Voorzitter ziet daarom aanleiding om het verzoek te behandelen.

2.3.    Verzoekers stellen dat verweerder heeft miskend dat hij, op grond van onderdeel D, categorie 18.2 van de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer), had moeten beoordelen of voor de inrichting een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Zij voeren hierbij aan dat de technische capaciteit van de inrichting groter is dan 100 ton per dag.

2.3.1.    Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kort weergegeven, moet het bevoegd gezag ten aanzien van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit mer worden als activiteiten, als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

   In categorie 18.2 van onderdeel D van de Bijlage behorende bij het Besluit mer wordt, voor zover thans van belang, als zodanige activiteit aangewezen de oprichting van een inrichting bestemd voor het bewerken, verwerken of vernietigen van overige organische meststoffen, groenafval en GFT, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van 100 ton per dag of meer.

2.3.2.    De Voorzitter overweegt dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat de technische capaciteit van de inrichting, welke capaciteit bepalend is voor de toepassing van het hier toepasselijke onderdeel van het Besluit mer, de drempelwaarde van 100 ton per dag of meer niet overschrijdt. Gelet hierop heeft verweerder de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, terecht achterwege gelaten.

2.4.    Verzoekers betogen dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn). Volgens hen is geen sprake van toepassing van de beste beschikbare technieken.

2.4.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.2.    De Voorzitter stelt voorop dat de IPPC-richtlijn moet worden geacht te zijn geïmplementeerd in onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Of de aan de vergunning verbonden voorschriften een toereikend beschermingsniveau bieden en of verweerder bij het nemen van het bestreden besluit is uitgegaan van de toepassing van de beste beschikbare technieken, komt in het hiernavolgende, voor zover daartoe aanleiding is bij de beoordeling van de door verzoekers ingebrachte bezwaren, aan de orde.

2.5.    Verzoekers vrezen voor geurhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Volgens hen heeft verweerder ten onrechte nagelaten om een geuremissiegrenswaarde aan de vergunning te verbinden en is ten onrechte geen geuronderzoek uitgevoerd.

2.5.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van het aspect geur gebruik gemaakt van de bijzondere regeling voor compostering van groenafval (G2) van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR). In deze regeling is een afstandstabel opgenomen met indicatieve afstanden voor verschillende composteringsmethoden. Voor de in de inrichting toegepaste composteringsmethode D en bij een productie van 15.000 tot 20.000 ton per jaar wordt volgens de tabel een indicatieve afstand van 100 meter aanbevolen. Bij deze afstand kan de resterende hinder aanvaardbaar worden geacht. Ter voorkoming, dan wel voldoende beperking van geurhinder heeft verweerder een aantal (middel)voorschriften aan de vergunning verbonden.

2.5.2.    Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de regeling) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. De NeR is als document opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij de regeling.

2.5.3.    Binnen een straal van 100 meter vanaf de rand van de feitelijke compostering is geen woonbebouwing aanwezig. Hetgeen verzoekers aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de NeR niet als de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken mocht aanmerken. Nu de in dit geval te beschermen objecten zich bevinden buiten de in de bijzondere regeling G2 opgenomen afstand van 100 meter, is de Voorzitter voorshands van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geurhinder. De Voorzitter ziet op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6.    Verzoekers vrezen voor geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Volgens hen heeft verweerder bij het stellen van grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten onrechte niet het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot uitgangspunt genomen. Voorts vrezen zij geluidhinder te ondervinden vanwege de verkeersbewegingen van en naar de inrichting.

2.6.1.    Verweerder heeft voor de beoordeling van het aspect geluid hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 wordt, voor zover hier van belang, voor nieuwe inrichtingen aanbevolen om de richtwaarden voor woonomgevingen te hanteren. Verweerder heeft de omgeving gekwalificeerd als landelijke omgeving, waarvoor als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) gelden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De in de voorschriften gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van woningen van derden zijn niet hoger dan de in hoofdstuk 4 van de Handreiking voor deze omgevingscategorie aanbevolen richtwaarden.

   De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn ter plaatse van woningen van derden niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder zich, gezien het door hem gehanteerde beoordelingskader, dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

2.6.2.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat het verkeer van en naar de inrichting ter hoogte van de woningen van derden door hun rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden zijn van het overige verkeer dat op deze weg aanwezig kan zijn, zodat het moet worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De Voorzitter gaat er dan ook van uit dat dit verkeer ter plaatse van die woningen niet meer kan worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting, zodat hierin geen reden is gelegen om de gevraagde vergunning te weigeren, dan wel op dit punt voorschriften aan de vergunning te verbinden. De Voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7.    Verzoekers vrezen voor de gevolgen van de werkzaamheden voor de luchtkwaliteit, met name gezien de uitstoot van zwevende deeltjes.

2.7.1.    Voor de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit) van belang.

   In artikel 7, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden in acht moeten nemen.

   In artikel 20 van het Besluit is, voor zover hier van belang, een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) gesteld van 40 microgram per kubieke meter, en een grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 microgram per kubieke meter, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.7.2.    Verweerder heeft verspreidingsberekeningen uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de uitstoot van zwevende deeltjes. De resultaten van deze berekeningen zijn neergelegd in een rapport van juni 2006, nummer ADV-06-06A. In dit rapport wordt geconcludeerd dat aan de grenswaarden van artikel 20 van het Besluit kan worden voldaan. Uit het rapport volgt dat het in werking zijn van de inrichting ertoe zal leiden dat het aantal dagen waarop de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie wordt overschreden, zal toenemen met 3 extra dagen. In totaal wordt de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie echter minder dan 35 maal per jaar overschreden. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het Besluit in de weg staat aan de onderhavige vergunningverlening. Voor zover verzoekers betogen dat de berekeningen niet betrouwbaar en onvolledig zijn en dat ten onrechte rekening is gehouden met zeezoutaftrek, overweegt de Voorzitter dat dit betoog nader onderzoek vergt, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. De Voorzitter ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure moet worden gevreesd dat de inrichting een zodanige uitstoot van zwevende deeltjes veroorzaakt dat in verband hiermee een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

2.8.    In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd met betrekking tot de aspecten natuurbescherming en visuele hinder ziet de Voorzitter geen aanleiding om in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen.

2.9.    Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink               w.g. Fransen

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

407