Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
200602634/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (hierna: het college) appellante vrijstelling geweigerd om in het pand op het perceel aan de [locatie] te [plaats] een dierenspeciaalzaak te vestigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602634/1.

Datum uitspraak: 17 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05 / 3210 van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (hierna: het college) appellante vrijstelling geweigerd om in het pand op het perceel aan de [locatie] te [plaats] een dierenspeciaalzaak te vestigen.

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2006, verzonden op 23 februari 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 6 april 2006, bij de

Raad van State ingekomen op 6 april 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur] en het college, vertegenwoordigd door mr. Th.L. van Deursen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op het perceel waar appellante de dierenspeciaalzaak wil vestigen rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Bedrijvenpark Reijerwaard" de bestemming "Bedrijvenpark".

2.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a., van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden, aangewezen voor bedrijvenpark, bestemd voor handels- en bedrijfsdoeleinden, alsmede ambachtelijke bedrijven, een en ander met uitzondering van detailhandel, behoudens indien het detailhandel in goederen betreft die:

 1.  ter plaatse zijn vervaardigd of

 2. -in het kader van de bedrijfsuitoefening worden verkocht of geleverd en -een wezenlijk bestanddeel uitmaken van de totale bedrijfsuitoefening en -zich beperkt tot detailhandel als zijnde een ondergeschikt en een niet-zelfstandig onderdeel van het bedrijf.

   Ingevolge artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a., van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1, onder a., ten behoeve van grootschalige detailhandel, als bedoeld onder artikel 1, sub q., met dien verstande dat ten aanzien van de bedrijven als genoemd in artikel 1, sub q.2. uitsluitend vrijstelling mag worden verleend, indien van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Tevens dient tevoren overleg te worden gevoerd met de Rijksconsulent Economische Zaken, met dien verstande dat deze overlegverplichting uitsluitend geldt ten aanzien van detailhandel in bouwmaterialen en meubelen.

   In artikel 1, onder n., van de planvoorschriften wordt "detailhandel" als volgt aangeduid: "Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit."

   In artikel 1, onder q., wordt "grootschalige detailhandel" als volgt aangeduid:

 "1.  Bedrijven die door de aard en/of omvang van de aangeboden artikelen niet of nauwelijks in traditionele winkelgebieden zijn in te passen. Het gaat daarbij om:

      -detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;

      -detailhandel in auto's, keukens, badkamers, boten, motoren, caravans, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen;

      -tuincentra;

  2.  Bedrijven waarvan de vestiging in traditionele winkelgebieden de voorkeur heeft maar die daar moeilijk inpasbaar zijn en waarvan vestiging elders derhalve niet uitgesloten mag worden geacht. Het betreft branches met volumineuze artikelen die een groot vloeroppervlak vergen, zoals:

      -bouwmarkten;

      -grootschalige meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate:

       woninginrichting/stoffering."

2.3.    De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het pand voor de uitoefening van activiteiten van een dierenspeciaalzaak als detailhandel is aan te merken, zodat dit gebruik niet past binnen de ter plaatse geldende bestemming "Bedrijvenpark".

2.4.    Eveneens is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het college vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen weigeren.

   Een binnenplanse vrijstelling is niet mogelijk, nu de bedrijfsactiviteiten van appellante niet kunnen worden aangemerkt als grootschalige detailhandel als bedoeld in artikel 1, onder q., van de planvoorschriften.

   Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het perifere detailhandelsbeleid van de provincie Zuid-Holland, op basis waarvan het college heeft geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen, niet onredelijk is. Weliswaar is dat beleid, zoals appellante stelt, uitgebreid doch ook het verruimde beleid staat ter plaatse een dierenspeciaalzaak niet toe. Hetgeen appellante verder in dit verband naar voren heeft gebracht biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan het ter zake gevoerde vrijstellingsbeleid heeft mogen vasthouden.

2.5.    Verder is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep van appellante op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, omdat het college geen vrijstelling heeft verleend voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten van de ter plaatse gevestigde detailhandelsbedrijven "Beddendump" en de "Harense Smid" waarop appellante heeft gewezen. Het college heeft verklaard dat de activiteiten van deze twee bedrijven in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat ter zake een (legalisatie)onderzoek gaande is.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek              w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007

202