Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200601058/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 december 2005 heeft verweerder vastgesteld dat sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging op de locatie van de voormalige stortplaats Kanaaldijk in het Ilperveld en dat er urgentie bestaat dit geval te saneren. Tevens heeft verweerder in dit besluit ingestemd met het saneringsplan van 22 september 2005 met documentnummer 154782 inzake "West Kanaaldijk" Ilperveld te Landsmeer (hierna: saneringsplan). Dit besluit is op 30 december 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2007/78 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601058/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2005 heeft verweerder vastgesteld dat sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging op de locatie van de voormalige stortplaats Kanaaldijk in het Ilperveld en dat er urgentie bestaat dit geval te saneren. Tevens heeft verweerder in dit besluit ingestemd met het saneringsplan van 22 september 2005 met documentnummer 154782 inzake "West Kanaaldijk" Ilperveld te Landsmeer (hierna: saneringsplan). Dit besluit is op 30 december 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, drs. N.G.P. Bizot en A. Scheffer, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat op de onderhavige locatie sprake is van een ernstige bodemverontreiniging en dat er urgentie bestaat dit geval te saneren. Het beroep richt zich derhalve enkel op de instemming van verweerder met genoemd saneringsplan.

2.2.    Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals deze bepaling voor 1 januari 2006 luidde, bepaalt voor zover hier van belang dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig dient uit te voeren dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld.

   Artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming, zoals deze bepaling voor 1 januari 2006 luidde, bepaalt voor zover hier van belang dat het saneringsplan de instemming behoeft van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Aan de instemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

2.3.    Appellanten voeren aan dat met de saneringswerkzaamheden op het naast hun woning gelegen perceel 375 gezondheidsrisico's gepaard gaan. Ze vrezen voornamelijk voor stofvorming en verwaaiing van stoffen uit het baggerspeciedepot. Daarnaast vrezen ze geluid- en geuroverlast te ondervinden en voeren ze aan dat het baggerspeciedepot op perceel 375 op een te korte afstand van hun woning zal worden gerealiseerd.

2.4.    Bij een besluit over de instemming met een saneringsplan staat gezien artikel 39, tweede lid, (oud) van de Wet bodembescherming slechts ter beoordeling of de voorgestelde sanering overeenkomstig de bij of krachtens artikel 38 (oud) van deze wet gestelde regels plaatsvindt. Hetgeen appellanten aanvoeren heeft hierop geen betrekking en geeft reeds daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met het saneringsplan heeft kunnen instemmen.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd           w.g. Van der Zijpp

Voorzitter                 ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

262-495.