Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5860

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200602660/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft appellant (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/72 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Ruimtelijke ordening 2007/3133 met annotatie van T. ten Have
O&A 2007, 9
JOM 2007/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602660/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1633 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 28 februari 2006 in het geding tussen:

[verzoeker].

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft appellant (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2005 heeft de gemeenteraad het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, doch de afwijzing gehandhaafd.

Bij uitspraak van 28 februari 2006, verzonden op 2 maart 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de gemeenteraad een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 mei 2006 hebben [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2006, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. T. Segers, advocaat te Den Bosch, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [verzoeker], destijds eigenaar van de woning aan de Oranje Nassaulaan 14 te 's-Hertogenbosch, hebben verzocht om vergoeding van de door hen gestelde waardevermindering ervan door de bij het besluit van

18 april 2000 krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "t Zand" ten behoeve van het gebruik van de panden aan de Oranje Nassaulaan 6 tot en met 10 voor 24-uursopvang voor drugsverslaafden (hierna: het opvangcentrum), ten gevolge waarvan volgens [verzoeker] een toename van overlast en criminaliteit en een verandering van het karakter van de omgeving is opgetreden. Ingevolge dat bestemmingsplan rust op de percelen waarop de panden staan de bestemming "Woningen en kantoren, klasse II".

2.2.    De gemeenteraad heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). Deze heeft in adviezen van januari 2004 en 22 maart 2004 geadviseerd dat [verzoeker] ten gevolge van de verleende vrijstelling niet in een planologisch nadeliger positie zijn geraakt en het verzoek daarom ware af te wijzen. Het besluit van 22 juni 2004 is in navolging van deze adviezen genomen.

    In bezwaar is de afwijzing in navolging van een aanvullend advies van de SAOZ van 7 februari 2005 gehandhaafd.

2.3.    De gemeenteraad klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat de SAOZ, door de aard van het opvangcentrum niet bij de planologische vergelijking te betrekken, een te beperkte vergelijking heeft uitgevoerd, heeft miskend dat de aard van het opvangcentrum in de gevolgde adviezen van 23 januari en 22 maart 2004 en het aanvullend advies van 7 februari 2005 is betrokken en daarbij onderscheid is gemaakt tussen gebruik dat binnen wettelijke voorschriften plaatsvindt en eventuele handelingen in strijd daarmee en ten aanzien van deze laatste handelingen is geadviseerd dat deze geen grond vormen voor schadevergoeding op voet van artikel 49 van de WRO.

2.4.    De gemeenteraad betoogt terecht dat hij, nu de SAOZ in de door hem gevolgde adviezen het gebruik van het opvangcentrum in haar advisering heeft betrokken, daarbij het gebruik dat binnen de wettelijke voorschriften plaatsvindt onderscheidend van eventuele handelingen in strijd met geldende wettelijke voorschriften, bij de vergelijking van de gevolgen van de genomen planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime niet aan de aard van het gebruik is voorbijgegaan.

    Hij klaagt evenzeer terecht dat de rechtbank de mogelijk te verwachten overlast in dit verband zonder meer onlosmakelijk met het gebruik van de panden voor 24-uursopvang voor drugsverslaafden verbonden heeft geacht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 28 november 2001 in de zaak no. 200100834/1, AB 2002/127), biedt artikel 49 van de WRO geen grondslag voor vergoeding van schade die het gevolg is van het mogelijk niet naleven door gebruikers

- in dit geval de bezoekers van het opvangcentrum - van geldende wettelijke voorschriften of mogelijke uitwassen van hun gedrag.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad op de door de SAOZ uitgebrachte adviezen mocht afgaan, nu [verzoeker] niet door middel van een deskundigenbericht aannemelijk hebben gemaakt dat aan die adviezen, dan wel de wijze van hun totstandkoming, zodanige gebreken kleven, dat de besluitvorming daarop niet mocht worden gebaseerd. Ten aanzien van de gestelde overlast en de verandering van het karakter van de omgeving door het gebruik van het opvangcentrum, voor zover dit binnen de geldende wettelijke voorschriften plaatsvindt, hebben [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hen leidt tot een nadeliger situatie ten opzichte van het onder het voorheen geldende planologische regime toegestane gebruik van de betrokken panden. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 februari 2006 in zaak no. AWB 05/1633;

III.    verklaart het door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb           w.g. Ouwehand

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

224.