Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200608202/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan verzoeksters sub 1 een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor hun inrichting voor scheepsreparatie, het samenstellen van offshore constructies en scheepsnieuwbouw aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608202/2.

Datum uitspraak: 5 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoeksters sub 1], beide gevestigd te [plaats],

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Compagnie de Manutention Ro-Ro B.V.", gevestigd te Ritthem, gemeente Vlissingen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan verzoeksters sub 1 een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor hun inrichting voor scheepsreparatie, het samenstellen van offshore constructies en scheepsnieuwbouw aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoeksters sub 1 bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en verzoekster sub 2 bij brief van 14 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Verzoeksters sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 november 2006. Verzoekster sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 15 november 2006.

Bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoeksters sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 14 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 december 2006, waar verzoeksters sub 1, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Rotterdam, verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door mr. L. de Kok, advocaat te Amsterdam, en ing. R.P.M. Jansen, en verweerder, vertegenwoordigd door P.W.D. Beijaard en ing. W. Barkhuijsen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.    Verzoeksters sub 1 kunnen zich niet verenigen met voorschrift 7.1.1, voor zover daarin is bepaald dat zij de registratie van gebruikte hoeveelheden verf en oplosmiddelen voor de reparatiewerf nader dienen uit te werken. Volgens hen dient op grond van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-Richtlijn milieubeheer (hierna: het Oplosmiddelenbesluit) per 31 oktober 2007 een oplosmiddelenboekhouding te worden gevoerd, zodat het voorschrift in zoverre overbodig is en een doorkruising oplevert van het Oplosmiddelenbesluit.

2.3.1.    De Voorzitter overweegt dat voorschrift 7.1.1 vergunninghoudsters niet verplicht om een oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in artikel 11 van het Oplosmiddelenbesluit te voeren, maar slechts tot het ontwikkelen van een beheerssysteem, waarin de gebruikte hoeveelheden verf en oplosmiddelen bij de reparatiewerf moet worden uitgewerkt. Van strijdigheid met artikel 11 van het Oplosmiddelenbesluit is naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter in zoverre geen sprake. De Voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Verzoeksters sub 1 kunnen zich niet verenigen met voorschrift 7.3.1, voor zover daarin de verplichting is opgenomen om een meet- en registratiesysteem in werking te hebben voor emissies naar de lucht via puntbronnen, diffuse emissies, emissies door lekverliezen en geluid. Zij stellen dat onduidelijk is welke emissies moeten worden opgenomen, of de bedoelde diffuse emissies meetbaar zijn en of sprake is van emissies van lekverliezen. Zij achten het voorschrift daarnaast onnodig bezwarend. Volgens hen bestaat er geen noodzaak om de geluidemissies in het meet- en registratiesysteem op te nemen, maar is dit veeleer een taak van verweerder zelf.

2.4.1.    Verweerder stelt dat het aan vergunninghoudsters zelf is om een voorstel te doen waarin zij de in voorschrift 7.3.1 genoemde elementen verwerken. Zij kunnen daarin zelf aangeven welke emissies volgens hen voor monitoring in aanmerking komen en welke aspecten zij bij haar keuzes heeft meegewogen. Hierbij kunnen ook financiële overwegingen een rol spelen.

2.4.2.    Ingevolge voorschrift 7.3.1 moet in de inrichting een meet- en registratiesysteem aanwezig zijn waarin onder meer informatie omtrent de emissies naar de lucht via puntbronnen, diffuse emissies, emissies door lekverliezen, waterverbruik en geluid en waterverbruik moet zijn opgenomen. Per element dient een aantal aspecten te worden uitgewerkt, waaronder de wijze van registreren, de meetfrequentie en de berekeningsmethode. Vergunninghoudsters dienen de beschrijving van het systeem ter goedkeuring voor te leggen aan de directie Ruimte, Milieu en Water van de provincie Zeeland.

2.4.3.    Anders dan verzoeksters sub 1, is de Voorzitter van oordeel dat voorschrift 7.3.1 geen zodanige onduidelijkheden bevat dat dit tot rechtsonzekerheid leidt. Aan verzoeksters sub 1 wordt de ruimte gelaten om te bepalen op welke wijze het meet- en registratiesysteem exact wordt uitgewerkt. In hetgeen verzoeksters sub 2 hebben aangevoerd ziet de Voorzitter evenmin aanleiding voor het oordeel dat het systeem niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Verzoekster sub 2 heeft bezwaar tegen de uitbreiding van de inrichting met een tweede drijvend dok. Zij betoogt in dit verband dat verweerder wat de verspreiding van verfdeeltjes betreft ten onrechte niet is uitgegaan van de beste beschikbare technieken die voor de inrichting in aanmerking komen. Zij heeft in dit verband onder meer bezwaar tegen voorschrift 9.5. Volgens haar biedt de vigerende vergunning meer waarborgen tegen de verspreiding van verfdeeltjes dan de onderhavige vergunning en ziet voorschrift 9.2 ten onrechte uitsluitend op gritstraalwerkzaamheden en niet op verfwerkzaamheden. Volgens haar is het aanbrengen van gritnetten aan de voor- en achterzijde van het dok nodig om verspreiding van verfdeeltjes te voorkomen. Zij stelt verder dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 gestelde grenswaarden in acht zijn genomen.

2.5.1.    In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de zijns inziens beste beschikbare technieken voor de inrichting. Daarbij heeft hij het tweede concept van het BREF-document "Oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen" (versie september 2005) betrokken. Verweerder heeft mede op grond daarvan geconcludeerd dat in de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast. Volgens hem kan het definitieve BREF-document aanleiding zijn om de voorschriften aan te scherpen. Hiertoe heeft hij voorschrift 9.6 aan de vergunning verbonden, waarin, kort samengevat, is bepaald dat vergunninghoudsters verplicht zijn om eens in de twee jaar onderzoek te doen naar de toepassingsmogelijkheden van alternatieve verfspuittechnieken. Volgens verweerder worden binnen de inrichting gritnetten gebruikt bij verfwerkzaamheden, deze maatregel zal worden opgenomen in het in voorschrift 7.1.1 voorgeschreven beheerssysteem van vergunninghoudsters. Volgens verweerder staat het Besluit luchtkwaliteit 2005 niet aan vergunningverlening in de weg en is de bijdrage van de inrichting aan de concentratie zwevende deeltjes verwaarloosbaar klein.

2.5.2.    In hetgeen verzoekster sub 2 stelt ziet de Voorzitter voorshands geen grond voor het oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet is uitgegaan van toepassing van de beste beschikbare technieken. Voor zover de bezwaren van verzoekster sub 2 betrekking hebben op het Besluit luchtkwaliteit 2005 overweegt de Voorzitter dat niet aannemelijk is gemaakt, noch anderszins is gebleken dat de desbetreffende milieugevolgen van het bestreden besluit zodanig zijn, dat het treffen van een voorlopige voorziening uit het oogpunt van de bescherming van het milieu geboden is.

2.6.    Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink           w.g. Fransen

Voorzitter      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2007

407