Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5849

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200602643/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel ZuiderAmstel (hierna:het dagelijks bestuur) aan het Stadsdeel ZuiderAmstel, Sector Beheer, vergunning verleend voor het bouwen in afwijking van de bij besluit van 30 oktober 1999 verleende bouwvergunning voor het plaatsen van 173 ondergrondse afvalcontainers met inwerpvoorziening (fase III) in het gebied begrensd door de De Boelelaan, de Buitenveldertselaan, de zuidelijke gemeentegrens, de Amstelveenseweg, de Van Nijenrodeweg, de Jachthavenweg en het Jollenpad, waarbij de afwijking bestaat uit het wijzigen van de situering van een gedeelte van de ondergrondse afvalcontainers en het vergroten van het aantal tot 177.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602643/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4384 van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuider Amstel te Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel ZuiderAmstel (hierna:het dagelijks bestuur) aan het Stadsdeel ZuiderAmstel, Sector Beheer, vergunning verleend voor het bouwen in afwijking van de bij besluit van 30 oktober 1999 verleende bouwvergunning voor het plaatsen van 173 ondergrondse afvalcontainers met inwerpvoorziening (fase III) in het gebied begrensd door de De Boelelaan, de Buitenveldertselaan, de zuidelijke gemeentegrens, de Amstelveenseweg, de Van Nijenrodeweg, de Jachthavenweg en het Jollenpad, waarbij de afwijking bestaat uit het wijzigen van de situering van een gedeelte van de ondergrondse afvalcontainers en het vergroten van het aantal tot 177.

Bij besluit van 22 juni 2004, verzonden op 1 juli 2004, heeft het dagelijks bestuur het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 april 2006, per fax bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 juni 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2006, waar appellant in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C.J. Kruissink en ir. R. van Gelder, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

   Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

   Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

2.2.    De bij besluit van 9 september 2002 verleende vergunning is op dezelfde dag aan de vergunninghouder verzonden, zodat appellant tot en met 21 oktober 2002 een bezwaarschrift bij het dagelijks bestuur kon indienen. Appellant heeft, door dit bezwaarschrift op 6 februari 2004 in te dienen, deze termijn niet in acht genomen.

2.3.    Appellant, bewoner van het pand [locatie], betoogt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hij voert hiertoe aan dat hij uit de publicatie van de vergunning mocht afleiden dat aan de Amstelveenseweg geen afvalcontainers zouden worden geplaatst, nu de Amstelveenseweg slechts als begrenzing werd genoemd van het gebied waar de afvalcontainers zouden worden geplaatst. Eerst bij de plaatsing van deze afvalcontainers, na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb bedoelde termijn, werd hem duidelijk dat dit wel het geval was en heeft hij bezwaar gemaakt.

2.4.    Dit betoog faalt. In de bouwvergunning van 9 september 2002, alsmede in de publicatie daarvan in de rubriek "Weekmedia" in het huis aan huis bezorgde "Amsterdamse Stadsblad" van 18 september 2002, is vermeld dat het gebied waar de afvalcontainers zijn geplaatst wordt begrensd respectievelijk omsloten door, voor zover thans van belang, de Amstelveenseweg. Uit deze omschrijvingen heeft appellant niet mogen afleiden dat aan de Amstelveenseweg in het geheel geen afvalcontainers zouden worden geplaatst. Dat de omschrijving van de andere grenzen van het betrokken gebied in de bouwvergunning enigszins afwijkt van die in de publicatie ervan en van die in de publicatie van de bouwaanvraag, maakt dit niet anders, nu dat voor het perceel van appellant niet relevant is. Bovendien had appellant zich ervan kunnen vergewissen wat de exacte locatie van de afvalcontainers zou zijn door op het stadsdeelkantoor de daar ter inzage liggende bouwvergunning en de daarbij behorende tekeningen - waarop hem in de publicatie was gewezen - in te zien.

   Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest tijdig bezwaar te maken, zodat het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen, zodat hij het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek          w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

164