Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200602536/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 9 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) aan "Bospark Beekbergen B.V." vergunningen verleend voor het oprichten van 42 recreatiebungalows op het perceel Hoge Bergweg 16 te Beekbergen. Bij besluiten van gelijke datum heeft het college aan "Landgoed Valouwe B.V." vergunningen verleend voor het oprichten van 17 recreatiebungalows op het perceel Lage Bergweg 31 te Beekbergen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/3412
Module Ruimtelijke ordening 2007/3179
ABkort 2007/34
JOM 2007/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602536/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bospark Beekbergen B.V., gevestigd te Barneveld en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Landgoed Valouwe B.V.", gevestigd te Apeldoorn,

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/275 en 06/276 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 20 februari 2006 in het geding tussen:

de bewonersvereniging Immenberg, gevestigd te Apeldoorn

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 9 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) aan "Bospark Beekbergen B.V." vergunningen verleend voor het oprichten van 42 recreatiebungalows op het perceel Hoge Bergweg 16 te Beekbergen. Bij besluiten van gelijke datum heeft het college aan "Landgoed Valouwe B.V." vergunningen verleend voor het oprichten van 17 recreatiebungalows op het perceel Lage Bergweg 31 te Beekbergen.

Bij besluit van 16 januari 2006 heeft het college het door de bewonersvereniging Immenberg (hierna: de vereniging) daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2006, verzonden op 22 februari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van de vereniging. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 april 2006, per fax bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 mei 2006 heeft de vereniging een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem, en door [gemachtigden], en de vereniging, vertegenwoordigd door [vice-voorzitter] en [penningmeester] zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben, samengevat weergegeven, betoogd dat de vereniging in dit geding niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt en dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college het bezwaar van de vereniging ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2.    Ingevolgde artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende - voor wie ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van die wet alsmede artikel 37 van de Wet op de Raad van State bezwaar, beroep en hoger beroep openstaat - verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in haar uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak no. 200507730/1, komt een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt.

   Blijkens haar statuten, zoals deze luidden ten tijde van het instellen van het beroep, stelt de vereniging zich ten doel het behartigen van een goed woon- en leefklimaat en het handhaven dan wel bevorderen van de kwaliteit van bos, natuur en milieu in het gebied de Immenberg te Beekbergen. Daarbij komt zij tevens op voor de belangen van de bewoners van dit gebied. Ter zitting is vastgesteld dat de begrenzing van het gebied Immenberg is gebaseerd op de kaart van het oude bestemmingsplan "Immenberg" dat is vastgesteld in het begin van de jaren '70 van de vorige eeuw. De recreatiebungalows zijn in dit gebied gesitueerd. Ook de voorzitter van de vereniging woont, anders dan appellanten stellen, in dit gebied. De vereniging tracht haar doel blijkens de statuten te bereiken door het informeren van de bewoners van voormeld gebied over nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot dit gebied en het initiëren en coördineren van acties die het doel van de vereniging ondersteunen. Deze acties houden, zo is ter zitting vastgesteld, onder meer in het houden van informatieavonden, het verzenden van informatiebrieven, het houden van vergaderingen en het voeren van procedures als de onderhavige.

   Gelet hierop is het belang van de bewoners van het gebied Immenberg een belang dat de vereniging, gelet op haar statutaire doelstelling, in het bijzonder behartigt. Dat deze doelstelling algemeen is geformuleerd, doet hieraan niet af. Gelet op de gevolgen die de bouw van de recreatiewoningen voor het betrokken gebied zal hebben, is de vereniging rechtstreeks in haar belang getroffen. De voorzieningenrechter is derhalve op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de verenging belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van de Awb.

2.4.    Voor zover appellanten erop hebben gewezen dat het tegen de besluiten van 9 september 2005 ingediende bezwaarschrift niet op juiste wijze is ondertekend, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de vereniging door het college in de gelegenheid moet worden gesteld dit verzuim te herstellen. Eerst wanneer van die gelegenheid binnen de daarvoor gestelde termijn gebruik is gemaakt kan het bezwaar op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.5.    Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De voorzieningenrechter heeft het beroep van de vereniging derhalve terecht gegrond verklaard en heeft de beslissing op bezwaar terecht vernietigd.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek             w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

164