Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200601869/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan van zand, grond en grind op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 januari 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 41
Wet geluidhinder 46
Wet geluidhinder 53
Wet geluidhinder 65
Wet geluidhinder 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/67
M en R 2007, 64 met annotatie van J.B. Claassen-Dales
Milieurecht Totaal 2007/1871
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/4378
ABkort 2007/32
JOM 2007/57
JM 2007/46 met annotatie van Wiggers
OGR-Updates.nl 1001336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601869/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan van zand, grond en grind op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 januari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 8 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 maart 2006.

Bij brief van 12 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 augustus 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door J.F.K. Kruse, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. B. Hoevers, F. Ozinga en S. Haghighat, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.    Appellante vreest dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Zij voert aan dat het akoestisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet representatief is voor de geluidbelasting van de inrichting. Volgens haar ontbreekt een beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituatie en zijn de laatstgenoemde werkzaamheden ten onrechte niet beperkt tot werkzaamheden voor de gemeente Vlaardingen. Voorts zijn de voor de personenvoertuigen, vrachtwagens, mobiele kraan en shovel gehanteerde bronvermogens volgens haar te laag en zijn niet alle geluidbronnen, waaronder het aan- en afmeren van schepen, in het onderzoek betrokken. Zij voert verder aan dat ten onrechte geen geluidwerende maatregelen zijn voorgeschreven voor de shovel, terwijl dit voor gelijksoortige inrichtingen wel gebeurt. Appellante betoogt tot slot dat ten onrechte geen geluidgrenswaarden aan de vergunning zijn verbonden voor de avond- en nachtperiode, terwijl dit wel is aangevraagd en het bovendien in de rede ligt dat er werkzaamheden plaatsvinden in de genoemde periodes.

2.3.1.    In de voorschriften 2.1.1, 2.1.2, 2.1.5 en 2.1.6 zijn, voor zover hier van belang, voor een aantal referentiepunten grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR, LT) en het maximale geluidniveau (LAmax).

2.3.2.    De inrichting is gelegen op een ingevolge de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Rond het industrieterrein is een geluidzone vastgesteld, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Voorts is voor een groot aantal woningen binnen de zone een maximaal toelaatbare geluidbelasting (hierna: MTG-waarde) vastgesteld. In geval van vergunningverlening voor een bedrijf op een gezoneerd industrieterrein moet verweerder de zonegrenswaarden en grenswaarden bij woningen binnen de zone op grond van artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer in acht nemen.

2.3.3.    In een door de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (hierna: de DCMR) in oktober 2005 verricht akoestisch onderzoek is de geluidbelasting berekend die de inrichting zal veroorzaken. Verweerder heeft uit dit onderzoek geconcludeerd dat de zonegrenswaarde en de MTG-waarden in acht worden genomen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat daarvoor geen aanvullende geluidwerende voorzieningen voor de shovel nodig zijn. In het onderzoek is uitgegaan van de bedrijfssituatie dat gebruik wordt gemaakt van vrachtwagens, personenvoertuigen, een shovel en een mobiele kraan. De gehanteerde bronvermogenniveaus zijn blijkens de stukken grotendeels afkomstig van diverse metingen die onder meer door de DCMR zijn uitgevoerd. Mede gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gehanteerde bronvermogenniveaus niet representatief zijn voor de geluidbelasting vanwege de genoemde transportmiddelen en installaties.

2.3.4.    Uit de aanvraag, die blijkens het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat alleen voor de dagperiode geluidrelevante activiteiten zijn aangevraagd. Indien deze activiteiten plaatsvinden buiten de dagperiode kan daar handhavend tegen worden opgetreden.

   In de voorschriften zijn geluidgrenswaarden gesteld voor incidentele bedrijfssituaties die maximaal twaalf keer per jaar mogen voorkomen. Deze incidentele gebeurtenissen dienen binnen twaalf uur gemeld te worden aan de DCMR. In de aanvraag wordt vermeld dat de incidentele bedrijfssituaties inhouden dat laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode plaatsvinden in verband met spoedeisende werkzaamheden van diverse gemeenten en/of rijksinstanties. Gelet op het voorgaande deelt de Afdeling de stelling van appellante dat onduidelijkheid bestaat over de incidentele bedrijfssituaties niet. In hetgeen appellante voor het overige aanvoert ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften die betrekking hebben op de incidentele bedrijfssituaties toereikend zijn om geluidhinder ten gevolge van deze situaties te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.

2.3.5.    Uit de aanvraag blijkt dat onder meer vergunning is gevraagd voor de op- en overslag van zand, grind en grond vanuit binnenvaartschepen. Deze binnenvaartschepen worden met behulp van een mobiele loskraan gelost. De geluidbelasting van de laad- en losactiviteiten van de schepen is toegerekend aan de inrichting en in het akoestisch onderzoek betrokken. Er vinden dagelijks zes verkeersbewegingen van schepen plaats, die uitsluitend plaatsvinden in de dagperiode. De schepen meren aan in een binnenhaven, die wordt gebruikt door de huurders en gebruikers van de Zevenmanshaven. Vaststaat dat de loskade niet tot de inrichting behoort. In het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting vanwege de verkeersbewegingen van schepen niet betrokken.

2.3.6.    De geluidbelasting die wordt geproduceerd bij het manoeuvreren en het aan- en afmeren van binnenvaartschepen die een inrichting bezoeken moet worden aangemerkt als indirecte hinder, welke hinder in de regel eveneens in de beoordeling van de geluidbelasting van een inrichting moet worden betrokken. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 13 oktober 1997 in zaak no. E03.96.0906 (AB 1998, 29) behoeft de geluidimmissie vanwege verkeersbewegingen op een openbare weg (op of buiten het industrieterrein) van en naar een inrichting op een gezoneerd industrieterrein, niet te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden. Wanneer dit wel zou gebeuren, zou het speciale regime van de Wet geluidhinder, dat er onder meer van uitgaat dat een verruiming van de geluidruimte van de verkeersbewegingen op de openbare weg is toegestaan, worden doorkruist. Blijkens die uitspraak betekent dit niet dat in een vergunning in het geheel geen voorschriften kunnen worden opgenomen ter beperking van geluidhinder die aan het in werking zijn van de inrichting kan worden toegerekend. Met name dienen middelvoorschriften ten aanzien van deze verkeersbewegingen te worden gesteld indien dit noodzakelijk en in redelijkheid te vergen is ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. Een zelfde benadering is aangewezen in een geval als het onderhavige waarbij het gaat om de geluidimmissie vanwege verkeersbewegingen op een vaarweg van en naar een inrichting op een gezoneerd industrieterrein. De geluidimmissie vanwege bewegingen van scheepvaart, inclusief de manoeuvreerbewegingen, op een vaarweg van en naar inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein behoeft om dezelfde redenen evenmin te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden. Wel moeten middelvoorschriften ten aanzien van de scheepvaartbewegingen worden gesteld indien dit noodzakelijk en in redelijkheid te vergen is ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder vanwege deze bewegingen. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om de vergunning te weigeren vanwege de door het aan- en afmerend scheepvaartverkeer veroorzaakte geluidhinder. Voorts is niet gebleken dat het stellen van middelvoorschriften ter beperking van geluidhinder vanwege het scheepvaartverkeer van en naar de inrichting noodzakelijk en in redelijkheid te vergen is. In hetgeen appellante voor het overige aanvoert ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat niet alle relevante geluidbronnen in het akoestisch onderzoek zijn betrokken en dat, in samenhang daarmee, de representatieve bedrijfssituatie onjuist zou zijn weergegeven. De grond faalt.

2.4.    Het beroep is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll         w.g. Fransen

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

407