Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200605125/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) een parkeerverbod ingesteld aan de westzijde van de Daaldersruwe te Maastricht voor het gedeelte tussen de woonhuizen […] tot en met […] alsmede een stopverbod aan de oostzijde van die weg tussen de aansluiting met de Drachmenruwe en pand […].

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 18
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2007/278
JOM 2007/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605125/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2838 van de rechtbank Maastricht van 1 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) een parkeerverbod ingesteld aan de westzijde van de Daaldersruwe te Maastricht voor het gedeelte tussen de woonhuizen […] tot en met […] alsmede een stopverbod aan de oostzijde van die weg tussen de aansluiting met de Drachmenruwe en pand […].

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27 april 2005 ambtshalve gewijzigd in die zin dat voor het genoemde gedeelte van de oostzijde van de Daaldersruwe een parkeerverbod in plaats van een stopverbod wordt ingesteld.

Bij uitspraak van 1 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 september 2006 heeft de [derdebelanghebbende], die op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, zich als partij in het geding aangemeld.

Bij schrijven van 2 oktober 2006 heeft [derdebelanghebbende] een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg, ambtenaar der gemeente, en [derdebelanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen. Appellant is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW), voor zover thans van belang, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

(..)

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

(..).

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

   Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het BABW) dient plaatsing of verwijdering van de borden E1 en E2, nu die zijn opgenomen in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, te geschieden bij verkeersbesluit.

   Ingevolge artikel 21 van het BABW dient de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval te vermelden welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW  genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2.    Het college heeft de verkeersmaatregel strekkende tot instellen van de parkeerverboden aan weerszijden van de Daaldersruwe genomen met het oog op de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de WVW genoemde belangen van verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de weg. Als gevolg van de parkeerverboden kunnen de af- en aanrijdende vrachtwagens gemakkelijker, zonder hinder van geparkeerde auto's, het bedrijfsterrein van de drukkerij oprijden voor het laden en lossen van goederen, hetgeen de veiligheid en de bruikbaarheid van de weg ten goede komt.

2.3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid op voormelde grond en omwille van voormelde belangen de in geding zijnde verkeersmaatregel heeft kunnen treffen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van een inrijverbod voor vrachtwagens, vanwege de belasting die dit verbod met zich zou brengen voor [derdebelanghebbende].

2.4.    Appellant kan zich niet verenigen met dit oordeel. Volgens hem zullen de parkeerverboden niet leiden tot een verkeersveiliger situatie omdat de vrachtwagens nog steeds stil mogen staan op de Daaldersruwe om te laden en te lossen. Appellant betoogt dat de rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het college heeft mogen afzien van een ter bevordering van de verkeersveiligheid verdergaande maatregel, zoals een algeheel inrijverbod voor vrachtwagens of een stopverbod aan de oostzijde van de weg.

2.5.    De Afdeling stelt voorop dat het college bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van zo’n besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit is kunnen komen.

   Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door het instellen van de parkeerverboden op de Daaldersruwe de situatie ter plekke veiliger zal worden en de bruikbaarheid van de weg wordt bevorderd, nu de vrachtwagens, die achterwaarts de oprit van de drukkerij moeten opdraaien, niet meer gehinderd worden door aldaar geparkeerde auto's. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat de betrokken verkeersmaatregel ertoe strekt dat de verkeersveiligheid ter plaatse wordt bevorderd en dat de verkeersveiligheid niet het door appellant gewenste stopverbod vergt. Gezien de mogelijkheid om op korte afstand van de drukkerij vanaf de eigen oprit te laden en te lossen is niet aannemelijk dat vaak vanaf de Daaldersruwe zal worden gelost, terwijl bovendien deze weg circa vijf meter breed is, zodat aannemelijk is dat de doorstroming van het verkeer niet onmogelijk wordt gemaakt door een eventueel langs de kant van de weg stilstaande (vracht)auto. Ten aanzien van een tweede door appellant voorgestelde alternatieve maatregel, te weten een inrijverbod voor vrachtwagens, heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid hiervan heeft kunnen afzien, nu niet aannemelijk is gemaakt dat met de getroffen verkeersmaatregel een uit verkeersveiligheidsoogpunt onacceptabele situatie zal bestaan. Het betoog van appellant faalt derhalve.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    [derdebelanghebbende] heeft verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten die zij als derde-partij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het hoger beroep. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, tweede volzin, van de Awb kan een natuurlijke persoon slechts in de proceskosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Dit kan zich voordoen indien op grond van reeds eerder inzake de desbetreffende aangelegenheid gedane rechterlijke uitspraken bij voorbaat onmiskenbaar vast staat wat de uitkomst van de aangespannen procedure zal zijn. Het instellen van beroep heeft dan geen redelijke zin. Naar het oordeel van de Afdeling is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. De Afdeling acht derhalve geen termen aanwezig tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

Voorzitter ambtenaar van Staat    

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

45-497.