Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
200602630/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de winning van industrie- en ophoogzand. De inrichting is gelegen ter hoogte van de Traandijk te De Wolden, kadastraal bekend gemeente De Wolden, sectie F, nrs. 2400 (gedeeltelijk) en 500, 507, 510, 511, 1891, 1905, 1951, 1952, 1978, 1342, 1343 en sectie G, nrs. 1870, 1902, 2206 (allen gedeeltelijk) en 2265 en sectie K, nr. 459. Dit besluit is op 2 maart 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602630/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] e.a., wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de winning van industrie- en ophoogzand. De inrichting is gelegen ter hoogte van de Traandijk te De Wolden, kadastraal bekend gemeente De Wolden, sectie F, nrs. 2400 (gedeeltelijk) en 500, 507, 510, 511, 1891, 1905, 1951, 1952, 1978, 1342, 1343 en sectie G, nrs. 1870, 1902, 2206 (allen gedeeltelijk) en 2265 en sectie K, nr. 459. Dit besluit is op 2 maart 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 september 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.A. Wieringa, advocaat te Assen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.A.E. van Dijk en ing. R. Dingemans, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2.    Appellanten betogen dat om stofhinder te voorkomen in voorschrift 2.1.2 eisen moeten worden gesteld aan de soort beplanting en de breedte van de beplantingsstrook. Appellanten kunnen zich verder niet verenigen met de begrenzing van de inrichting. Zij stellen zich op het standpunt dat de brug en de toegangsweg deel uitmaken van de inrichting en dat de overlast van verwaaid zand vanuit die locatie bij het verlenen van de vergunning niet buiten beschouwing had mogen blijven.

2.2.1.    Uit de stukken blijkt dat verweerder bij het beoordelen van de stofemissie de Nederlandse emissierichtlijnen Lucht (hierna: de NeR) tot uitgangspunt heeft genomen. Verweerder meent dat met de in de aanvraag neergelegde maatregelen en de aan de vergunning verbonden voorschriften stofhinder in voldoende mate wordt tegengegaan. Hij wijst er verder op dat de materialen binnen de inrichting nat zijn, waardoor zij minder stuifgevoelig zijn.

2.2.2.    De Afdeling overweegt dat het stellen van eisen aan de beplanting om stofhinder tegen te gaan, geen maatregel is die in de NeR wordt aanbevolen. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat dergelijke eisen nauwelijks effect hebben op het beperken van de stofverspreiding. De Afdeling ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dergelijke eisen niet nodig zijn ter bescherming van het milieu.

2.2.3.    Blijkens de aanvraag wordt ten behoeve van de inrichting een toegangsweg en een semi-permanente brug aangelegd. Verder is in de aanvraag de toegangsweg aangemerkt als "plaats waar de inrichting is gevestigd" en zijn ook de kadastrale gegevens van deze locatie in de aanvraag vermeld. Naar het oordeel van de Afdeling had bij het beslissen op de vergunningaanvraag dan ook rekening moeten worden gehouden met de door appellanten gestelde overlast van zand bij het rijden over de toegangsweg en de brug. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het besluit in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

2.3.    Appellanten stellen voorts dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat niet kan worden voldaan aan de grenswaarden in artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit). Volgens appellanten heeft verweerder niet aan de juiste wettelijke bepaling getoetst. Verder heeft verweerder volgens appellanten ten onrechte niet onderzocht wat de gevolgen van de emissies van zwevende deeltjes naar de lucht zijn voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.

2.3.1.    Verweerder betoogt dat de activiteiten op het terrein van de inrichting, afgezien van de verkeersbewegingen, van te verwaarlozen invloed zijn op de luchtkwaliteit. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting en die van en naar de inrichting niet tot gevolg hebben dat de geldende grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) wordt overschreden en evenmin tot gevolg hebben dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie meer dan het maximaal aantal toegestane dagen wordt overschreden.

2.3.2.    In artikel 7, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden in acht moeten nemen.

   In artikel 20 van het Besluit is, voor zover hier van belang, een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) gesteld van 40 microgram per kubieke meter, en een grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 microgram per kubieke meter, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

   Volgens het deskundigenbericht tonen berekeningen naar de invloed van het in werking zijn van de inrichting op de luchtkwaliteit aan dat ook met het in werking zijn van de inrichting aan deze voorschriften kan worden voldaan. Appellanten bestrijden deze conclusie niet.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht in zoverre geen aanleiding gezien om de vergunning te weigeren en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nader onderzoek naar de gevolgen van de emissies van zwevende deeltjes niet nodig is. Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond.

2.4.    Voor zover appellanten aanvoeren dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de Willem Moesweg, overweegt de Afdeling als volgt. In het bij de aanvraag behorend akoestisch rapport, nr. 2012415, van VKS raadgevende ingenieurs van 19 mei 2004 is de geluidbelasting vanwege de inrichting berekend. Het rijden en manoeuvreren met de vrachtwagen over de Willem Moesweg is bij de berekeningen betrokken. De stelling van appellanten is derhalve feitelijk onjuist. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.5.    Appellanten vrezen tevens visuele hinder. De vraag of sprake is van visuele hinder komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. In het deskundigenbericht is vermeld dat door de komst van de inrichting het open landschap zal worden aangetast. De Afdeling is evenwel van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. De beroepsgrond kan niet slagen.

2.6.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover geen rekening is gehouden met de verspreiding van stof bij het rijden over de brug en toegangsweg. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 13 december 2005, kenmerk 5.9/2004007185, voor zover geen rekening is gehouden met de verspreiding van stof bij het rijden over de brug en toegangsweg;

III.    draagt het college van gedeputeerde staten van Drenthe op binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente De Wolden aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente De Wolden aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat  

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007

441