Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5487

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
200601086/1 en 200510572/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2004 heeft appellant (hierna: de minister) met betrekking tot de Stichting voor Interconfessioneel en Algemeen Bijzonder voortgezet onderwijs (hierna: de stichting) de bekostigingsbedragen voor personeels- en exploitatiekosten voor het schooljaar 2004/2005 vastgesteld op € 9.509.765,97.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:21
Algemene wet bestuursrecht 4:49
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 64
Wet op het voortgezet onderwijs 75
Wet op het voortgezet onderwijs 96d
Wet op het voortgezet onderwijs 104
Bekostigingsbesluit W.V.O.
Bekostigingsbesluit W.V.O. 1
Bekostigingsbesluit W.V.O. 8
Bekostigingsbesluit W.V.O. 15
Bekostigingsbesluit W.V.O. 15b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601086/1 en 200510572/1.

Datum uitspraak: 3 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WVO 05/2636 van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2005 in het geding tussen:

de stichting "Stichting voor Interconfessioneel en Algemeen Bijzonder voortgezet onderwijs", gevestigd te Rotterdam

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2004 heeft appellant (hierna: de minister) met betrekking tot de Stichting voor Interconfessioneel en Algemeen Bijzonder voortgezet onderwijs (hierna: de stichting) de bekostigingsbedragen voor personeels- en exploitatiekosten voor het schooljaar 2004/2005 vastgesteld op € 9.509.765,97.

Bij brief van 3 juni 2004 heeft de minister de stichting meegedeeld dat 31 leerlingen, die in het cursusjaar 2003/2004 op de Borgerstraat 24 te Rotterdam onder de noemer van Islamitisch Voortgezet Onderwijs onderwijs hebben ontvangen, niet zullen worden bekostigd en dat zij naar aanleiding daarvan zorg dient te dragen voor correctie van de Integrale Leerlingentelling (ILT2003) bij het voor 1 juli 2004 inzenden van de accountantsverklaring.

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft de minister het besluit van 15 maart 2004 gewijzigd en met betrekking tot de stichting de bekostigingsbedragen voor personeels- en exploitatiekosten voor het schooljaar 2004/2005 vastgesteld op € 9.296.225,97.

Bij besluit van 20 mei 2005 heeft de minister, onder verwijzing naar het advies van 2 mei 2005 van de Commissie voor de bezwaarschriften van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de bezwaarschriftencommissie), de door de stichting tegen de besluiten van 3 juni 2004 en 28 oktober 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2005, verzonden op 28 december 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen door de stichting ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2006 heeft de minister de motivering die aan de beslissing van bezwaar van 20 mei 2005 ten grondslag heeft gelegen, gewijzigd.

Bij brief van 28 maart 2006 heeft de stichting van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2006, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.J. Boorsma, advocaat te 's-Gravenhage, en de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij de Besturenraad, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4:21, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is titel 4.2 van de Awb van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek.

   Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of

c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.2.    Ingevolge artikel 64, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) zijn de artikelen 65 tot en met 74 niet van toepassing bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting en bij uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen.

   Ingevolge het vierde lid van dat artikel neemt de bekostiging uit de openbare kas van een school geen aanvang dan krachtens de bepalingen van Afdeling I van titel III van de WVO.

   Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de WVO, voor zover thans van belang, stelt de minister na overleg met de daarvoor in aanmerking komende organisaties jaarlijks een plan van scholen vast, die in de drie kalenderjaren, volgende op het jaar van de vaststelling voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zullen worden gebracht. Dit plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs in het betrokken gebied.

   Ingevolge artikel 65, vierde lid, van de WVO, voor zover thans van belang, komt een bijzondere school die wordt opgericht terwijl zij niet in het plan van scholen is opgenomen, niet voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking gedurende ten minste drie kalenderjaren, volgende op het jaar van de oprichting.

   Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de WVO kan de minister, de daarvoor in aanmerking komende organisaties gehoord, onder door hem te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door middel van een omzetting, als bedoeld in artikel 64, tweede lid, onder c.

   Ingevolge het vierde lid van dat artikel kan de minister op grond van bijzondere omstandigheden, de daarvoor in aanmerking komende organisaties gehoord, onder door hem te stellen voorwaarden een nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking brengen.

   Ingevolge artikel 96d, eerste lid, van de WVO verstrekt het Rijk, met inachtneming van de artikelen 84 tot en met 85 en 86, jaarlijks aan het bevoegd gezag van openbare en bijzondere scholen een bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeels- en exploitatiekosten gezamenlijk.

   Ingevolge artikel 104, eerste lid, van de WVO kan de minister, indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

   Ingevolge artikel 105 van de WVO, voor zover thans van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit als bedoeld in artikel 104 beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   Ingevolge artikel 106, derde lid, van de WVO kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven ter uitvoering van Afdeling II van Titel III, waaronder voormeld artikel 96d.

2.3.    Onder meer ter uitvoering van artikel 106, derde lid, van de WVO is het besluit van 21 februari 1998 vastgesteld inhoudende, voor zover thans van belang, de hernieuwde vaststelling Bekostigingsbesluit W.V.O. (Staatsblad 1998, 117, hierna: het Bekostigingsbesluit). Het Bekostigingsbesluit is bij besluit van 20 september 1999 (Staatsblad 1999, 405) en 11 augustus 2003 (Staatsblad 2003, 323) gewijzigd.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van het Bekostigingsbesluit wordt in het besluit onder teldatum verstaan de datum van 1 oktober, bedoeld in artikel 8, tweede lid.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van het Bekostigingsbesluit wordt in het besluit onder schooljaar verstaan het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit stelt de minister jaarlijks het bedrag, bedoeld in artikel 96d, eerste lid, van de WVO vast.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel, voor zover thans van belang, neemt de minister bij de vaststelling van het in artikel 96d, eerste lid, van de WVO bedoelde bedrag wat het aantal leerlingen betreft in aanmerking het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop het in de eerste volzin bedoeld bedrag betrekking heeft, als werkelijk schoolgaand aan de school stond ingeschreven.

   Ingevolge artikel 15b, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit, voor zover thans van belang, doet het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 8, aan de minister de gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum toekomen overeenkomstig het Besluit informatievoorziening WVO.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel doet de minister jaarlijks aan het bevoegd gezag overzichten toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat voor de bekostiging voor het daarop volgende schooljaar in aanmerking moet worden genomen. Toezending van de overzichten aan het bevoegd gezag vindt plaats voor 15 november volgend op de teldatum.

   Ingevolge het derde lid van dat artikel kan het bevoegd gezag bij de minister binnen 10 dagen na verzending van de in dat lid bedoelde overzichten gecorrigeerde gegevens indienen indien de gegevens, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn.

   Ingevolge het zesde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, dient het bevoegd gezag jaarlijks voor 1 juli bij de minister voor het daaropvolgende schooljaar in:

a. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de in het eerste lid bedoelde aan de minister gemelde gegevens, of

b. indien de onder a bedoelde aan de minister gemelde gegevens naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens, alsmede

c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit, voor zover thans van belang, stelt de minister de in artikel 8 bedoelde bekostiging vast zo mogelijk voor 1 maart doch uiterlijk op 15 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop zij betrekking heeft.

2.4.    Bij brief van 3 juni 2004 heeft de minister met toepassing van artikel 104 van de WVO aan de stichting onder meer meegedeeld dat de 31 leerlingen die zij het cursusjaar 2003/2004 lesgeeft op de Borgerstraat 24 te Rotterdam onder de noemer van Islamitisch Voortgezet Onderwijs, niet zullen worden bekostigd. De minister heeft in voormelde brief voorts aangegeven dat de bekostiging voor de Rotterdamse Scholengemeenschap voor het schooljaar 2004/2005, onder andere genoemd in de brieven van 15 maart 2004 (kenmerk BVO-04/15582 M), en 31 maart 2004 (kenmerk BVO-04/31755 M), overeenkomstig zal worden verlaagd en door hem opnieuw zal worden vastgesteld.

   Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft de minister, voor zover thans van belang, het besluit van 15 maart 2004 gewijzigd en ambtshalve 31 leerlingen in mindering gebracht op het vastgestelde bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeels- en exploitatiekosten voor het schooljaar 2004/2005. Daarbij is aangegeven dat de verrekening zal plaatsvinden in de maand oktober 2004.

   Bij besluit van 20 mei 2005 heeft de minister de door de stichting gemaakte bezwaren tegen de brief van 3 juni 2004 en het besluit van 28 oktober 2004 ongegrond verklaard. Blijkens het aan dit besluit ten grondslag liggende advies van de bezwaarschriftencommissie is in de brief van 3 juni 2004 ten onrechte vermeld dat sprake is van een inhouding van de bekostiging als bedoeld in artikel 104 van de WVO; de bekostiging is alleen lager vastgesteld, voor zover sprake is van uitgaven die niet voor bekostiging in aanmerking komen.

   Tegen het besluit van 20 mei 2005 heeft de stichting beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.5.    De rechtbank heeft zich in de uitspraak van 23 december 2005 onbevoegd verklaard van het beroep van de stichting kennis te nemen. Daartoe heeft zij overwogen dat de handelwijze van de minister niet anders kan worden uitgelegd dan als het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 104 van de WVO. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de minister heeft besloten om 31 leerlingen te corrigeren, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat het daarmee gemoeide bedrag op het eerder vastgestelde bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeels- en exploitatiekosten van de Rotterdamse Scholengemeenschap voor het schooljaar 2004-2005 in mindering wordt gebracht. Artikel 104 van de WVO is volgens de rechtbank het enige artikel dat de minister onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheid verleend de bekostiging geheel of gedeeltelijk in te houden. Het door de minister gedane beroep op de artikelen 4:46 en/of 4:48 van de Awb leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu de specifieke bepaling van artikel 104 van de WVO volgens haar aan de algemene bepalingen van de Awb derogeert. Nu het besluit van 3 juni 2004 naar het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op één van de in artikel 105 van de WVO genoemde artikelen, acht zij de Afdeling bevoegd om in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het door de stichting ingestelde beroep. Gelet hierop, heeft de rechtbank het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, doorgezonden aan de Afdeling.

2.6.    De minister betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 104 van de WVO niet langer aan de bekostigingscorrectie ten grondslag ligt. Daartoe voert hij aan dat in het aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegde advies van de bezwaarschriftencommissie ondubbelzinnig is overwogen dat in de brief van 3 juni 2004 ten onrechte is verwezen naar artikel 104 van de WVO, nu slechts in mindering op de bekostiging is gebracht wat niet voor bekostiging in aanmerking kwam en mitsdien geen sprake is van een sanctie. Dit is volgens de minister ter zitting bij de rechtbank door zijn gemachtigde bevestigd, waarbij tevens is aangegeven dat aan de bekostigingscorrectie artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb ten grondslag ligt.

2.6.1.    In het aan de beslissing op bezwaar van 20 mei 2005 ten grondslag gelegde advies van de bezwaarschriftencommissie is overwogen dat in de brief van 3 juni 2004 ten onrechte is vermeld dat een sanctie als bedoeld in artikel 104 van de WVO is opgelegd. Volgens het advies betreft de vaststelling van de bekostigingsbedragen op een lager bedrag slechts uitgaven die niet voor bekostiging in aanmerking komen en is geen sprake van een sanctie.

   Uit het voormelde door de minister overgenomen advies blijkt derhalve dat de wijziging van het bekostigingsbesluit van 15 maart 2004 niet langer is gegrond op artikel 104 van de WVO. In de beslissing op bezwaar noch in het onderliggende advies van de bezwaarschriftencommissie is evenwel een nieuwe rechtsgrondslag opgenomen. Nu door de minister ter zitting bij de rechtbank te kennen is gegeven dat aan de gewijzigde vaststelling van de bekostigingsbedragen artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb ten grondslag ligt, ziet de Afdeling - in aanmerking genomen dat de stichting ter zitting heeft verklaard eveneens hiervan uit te gaan - voldoende grond het ervoor te houden dat de lagere vaststelling van de bekostigingsbedragen op deze bepalingen is gebaseerd.

   Gelet op het vorenoverwogene, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit van 28 oktober 2004 zijn grondslag vindt in artikel 104 van de WVO. Van een besluit bedoeld in artikel 105 van de WVO is dan ook geen sprake. Gelet hierop, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het beroep van de stichting.

2.7.    Het hoger beroep van de minister is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de stichting beoordelen in het licht van de bij de rechtbank naar voren gebrachte beroepsgronden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zowel de stichting als de minister ter zitting daarom hebben verzocht.

2.8.    Bij brief van 8 maart 2006 heeft de minister de beslissing op bezwaar van 20 mei 2005 in zoverre gewijzigd, dat de motivering expliciet wordt aangevuld met de bepaling dat de wijziging van de vaststelling van de bekostigingsbedragen op de artikelen 4:49, eerste lid, onder a en b en 4:57 van de Awb berust. Met deze brief is niet beoogd enig rechtsgevolg in het leven te roepen dat niet reeds door het besluit van 20 mei 2005 teweeg was gebracht. Derhalve is geen sprake van een besluit, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De wijziging betreft dan ook geen wijziging als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb.

   De Afdeling zal het besluit van 20 mei 2005 beoordelen aan de hand van de door de stichting naar voren gebrachte beroepsgronden.

2.9.    De Afdeling kan, mede gelet op het nadere standpunt van de minister inzake de toepasselijkheid van artikel 104 van de WVO, de brief van 3 juni 2004 niet anders zien dan als een vooraankondiging om de bekostigingsbedragen voor het schooljaar 2004/2005 lager vast te stellen. Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft deze lagere vaststelling daadwerkelijk plaatsgevonden. De brief van 3 juni 2004 is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De minister had het tegen deze brief door de stichting gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

2.10.    Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit van 20 mei 2005 dient te worden vernietigd, voor zover de minister het door de stichting gemaakte bezwaar tegen de brief van 3 juni 2004 ongegrond heeft verklaard. De Afdeling zal het door de stichting gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.11.    De Afdeling zal voorts het beroep van de stichting tegen het besluit van 20 mei 2005 beoordelen, voor zover daarbij het door de stichting tegen het besluit van 28 oktober 2004 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard.

2.12.    De stichting betoogt allereerst dat de minister de inrichtingsvrijheid heeft miskend die zij zou hebben als bevoegd gezag van een bijzondere school voor voortgezet onderwijs. Daartoe voert de stichting aan dat de gewraakte aanvullingen op het reguliere onderwijscurriculum binnen de op artikel 23 van de Grondwet stoelende vrijheid van inrichting vallen. Het gaat volgens de stichting dan ook niet om een andere richting dan vermeld in haar statuten. Volgens de stichting past de concrete inhoud van het onderwijs binnen de grondslag van de onder haar beheer staande scholen, rekening houdend met het feit dat op een aantal scholen een groot deel van de leerlingenpopulatie een moslimachtergrond heeft.

   De stichting betoogt verder dat de wijziging van de vaststelling van de bekostigingsbijdragen moet worden aangemerkt als een punitieve sanctie, nu de 31 leerlingen ingevolge het besluit van 20 mei 2005 in het geheel niet voor bekostiging in aanmerking worden gebracht. In dat kader betoogt de stichting dat de sanctie als disproportioneel moet worden aangemerkt.

2.12.1.    Volgens de Preambule en artikel 2, eerste lid, van de statuten van de stichting bestuurt en beheert zij scholen voor voortgezet onderwijs op interconfessionele, rooms-katholieke, protestants-christelijke en algemeen bijzondere grondslag. Het confessionele uitgangspunt van de stichting en de daaraan ten grondslag liggende scholen gaat uit van de christelijke beginselen, met als richtsnoer de Bijbelse normen van gerechtigheid en van solidariteit. De algemeen bijzondere grondslag gaat uit van gelijkwaardigheid van alle levensbeschouwelijke en maatschappelijke overtuigingen en stromingen. De Rotterdamse Scholengemeenschap is een school gegrond op algemeen bijzondere en rooms-katholieke grondslag. Niet in geschil is dat het geven van onderwijs op een islamitische grondslag niet tot de doelstellingen van de stichting behoort.

2.12.2.    Blijkens het verslag van de Inspecteur van het Onderwijs van 28 mei 2004 is de stichting per 1 augustus 2003 gestart met 31 leerlingen in het eerste leerjaar in een schoolgebouw aan de Borgerstraat 24, 3027 EB te Rotterdam. Deze locatie wordt aangeduid als "De Eenheid", Islamitische lesplaats. Het onderwijsaanbod bedraagt 32 lesuren van 50 minuten in de vakken van de basisvorming, aangevuld met twee lesuren "Kennis van de Islam" en een lesuur begeleiding. Deze drie extra lessen zijn niet verplicht. "De Eenheid" heeft een schoolgids 2003/2004, een schoolplan voor de jaren 2003/2007 en een eigen wervingsbrochure.

   Volgens de wervingsbrochure biedt de school naast de reguliere lessen de leerlingen de gelegenheid tot kennis nemen van de islam en tot deelname aan gebedsoefening. Voorts zal het lesmateriaal bij de vakken geschiedenis, biologie en levensbeschouwing zo gekozen worden, dat hier vorm wordt gegeven aan het islamitisch karakter van de lesplaats. Bij gymnastiek zullen de jongens en meisjes gescheiden les krijgen. Voorts wordt in de affiche en de flyer ten behoeve van ouders van kinderen in groep 8 van de basisschool gesproken van Islamitisch Voortgezet Onderwijs en Islamitische lesplaats.

2.12.3.    Gelet op de inhoud en het karakter van het onderwijs en de wijze waarop "De Eenheid" zich door middel van voorlichtingsmateriaal naar buiten profileert, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het onderwijs dat door "De Eenheid" wordt verzorgd, moet worden aangemerkt als onderwijs op islamitische grondslag. "De Eenheid" is dan ook niet te scharen onder de in de statuten van de stichting vermelde richtingen voor welke zij bekostiging ontvangt. Gelet op het vorenstaande, kunnen de 31 leerlingen van "De Eenheid" dan ook geen deel uitmaken van de Rotterdamse scholengemeenschap en dient "De Eenheid" te worden aangemerkt als een afzonderlijke onderwijsinstelling.

   Van miskenning van de inrichtingsvrijheid is, anders dan de stichting betoogt, geen sprake. De vrijheid om de school naar eigen inzicht in te richten strekt immers niet zover, dat onderwijs dat wordt gegeven op grondslag van een andere richting dan blijkens de statuten tot de doelstellingen van de stichting behoort, voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. De minister heeft zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat een andere opvatting ertoe leidt dat aan de doelstelling van het plan van scholen, namelijk een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, afbreuk wordt gedaan. Dat een groot gedeelte van de leerlingenpopulatie van de onder de stichting beheer staande scholen een moslimachtergrond heeft, betekent voorts niet dat aan de ingevolge de WVO gestelde vereisten om als school voor voortgezet onderwijs op islamitische grondslag voor bekostiging in aanmerking te komen, niet behoeft te worden voldaan.

2.12.4.    "De Eenheid" moet, gelet op het vorenoverwogene, worden aangemerkt als een afzonderlijke onderwijsinstelling van de islamitische richting. Niet is in geschil dat zij als zodanig niet in het plan van scholen is opgenomen en daartoe ook geen verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de WVO. Zij kan ingevolge artikel 64, vierde lid, van die wet dan ook niet voor bekostiging in aanmerking worden gebracht. Evenmin is door de stichting een verzoek ingediend tot omzetting als bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de WVO. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de 31 leerlingen van "De Eenheid" voor het schooljaar 2004/2005 niet voor bekostiging in aanmerking komen.

2.12.5.    Bij besluit van 15 maart 2004 heeft de minister met betrekking tot de Rotterdamse Scholengemeenschap, op grond van de door de stichting ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging, als bedoeld in artikel 8 van het Bekostigingsbesluit, aangeleverde telgegevens met betrekking tot het aantal leerlingen dat per 1 oktober 2003 als werkelijk schoolgaand aan die school stond ingeschreven, de bekostigingsbedragen voor personeels- en exploitatiekosten voor het schooljaar 2004/2005 vastgesteld. Het Bekostigingsbesluit voorziet niet in de controle door de minister van de door de stichting aangeleverde telgegevens. Gegeven de inspanningen die gemoeid zouden zijn met een integrale controle op de rechtmatigheid van de aangeleverde telgegevens, kan dat ook redelijkerwijs niet van de minister worden geëist. Derhalve dient het uitgangspunt te zijn dat het de verantwoordelijkheid van de stichting was de juiste telgegevens aan te leveren voor de berekening van de bekostiging.

   Blijkens de brief van 3 juni 2004 is de minister na de vaststelling van de bekostigingsbedragen gebleken dat de 31 leerlingen van "De Eenheid" ten onrechte door de stichting op 1 oktober 2003 zijn aangemerkt en mitsdien meegeteld als leerling van de Rotterdamse Scholengemeenschap. Dit heeft de minister, gelet op het vorenoverwogene, terecht aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan hij bij de vaststelling van de bekostiging redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bekostiging lager zou zijn vastgesteld. De minister heeft derhalve in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen kunnen besluiten het bekostigingsbesluit van 15 maart 2004 op grond van het ingevolge artikel 4:21, vierde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb te wijzigen. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen heeft kunnen besluiten de 31 leerlingen van "De Eenheid" in het geheel niet voor bekostiging in aanmerking te brengen. Voor een door de stichting gewenste toets aan het evenredigheidsbeginsel is geen plaats, reeds omdat geen sprake is van een sanctie, doch enkel van een correctie van het bekostigingsbesluit van 15 maart 2004 op grond van nadien gebleken feiten en omstandigheden.

2.12.6.    Gelet op het vorenoverwogene, is het beroep tegen het besluit van 20 mei 2005 voor het overige ongegrond. Dit besluit kan in zoverre in stand blijven.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2005 in zaak no. WVO 05/2636-WIE;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring door de minister van het door de stichting tegen de brief van 3 juni 2004 gemaakte bezwaar;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 mei 2005 kenmerk CFI/BGS-2005/105565 M, in zoverre;

V.    verklaart het door de stichting gemaakte bezwaar tegen de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juni 2004, niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 mei 2005;

VII.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 20 mei 2005 voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van den Brink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van den Brink

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2007

435