Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
200602241/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ambt Montfort (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een beheerderswoning aan de [locatie] te [plaats], gemeente Ambt Montfort (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602241/1.

Datum uitspraak: 3 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1094 van de rechtbank Roermond van 22 februari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Ambt Montfort.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ambt Montfort (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een beheerderswoning aan de [locatie] te [plaats], gemeente Ambt Montfort (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de legesheffing. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 10 april 2006 en 1 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door P. Canjels, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het verbouwen van de dienstwoning op het perceel dat is gelegen op Landgoed Aerwinkel.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Recreatieterrein 1984, Uitwerking Posterbos 1993" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Recreatiewoningen (Rw)" met de aanduiding "Dienstwoning toegestaan".

   Ingevolge artikel 1, achtste lid, van planvoorschriften wordt onder dienstwoning verstaan een woonhuis in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bestemd voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is op de gronden met de bestemming "Recreatiewoningen (Rw)" één dienstwoning toegestaan.

   Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen recreatiewoningen uitsluitend worden gebruikt voor recreatieve woondoeleinden zonder permanent karakter.

   Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften mag een dienstwoning voor ten hoogste 40% van de begane grondlaag worden aangewend voor kantoordoeleinden, verband houdend met het beheer van het recreatieterrein.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Tussen exploitatiemaatschappij Posterholt B.V. (hierna: Posterholt) en appellant is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, die - zoals door appellant ter zitting is toegelicht - is overgenomen door de rechtsopvolger van Posterholt (hierna: de projectontwikkelaar).

De rechtbank heeft de inhoud van de hiervoor bedoelde overeenkomst weergegeven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het voor het uitoefenen van deze overeenkomst noodzakelijk is de op het perceel aanwezige dienstwoning als zodanig te bewonen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de projectontwikkelaar eigenaar is van slechts veertien percelen op het hiervoor bedoelde landgoed en dat alle eigenaren van de percelen van rechtswege lid zijn van de vereniging van eigenaren "Landgoed Aerwinkel", die zelf een beheerder heeft aangesteld. Voorts neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat, zoals de rechtbank - niet bestreden - heeft vastgesteld, tegenover het onderhouden en onder toezicht houden van de percelen van de projectontwikkelaar slechts een vergoeding van € 5,00 per jaar en een onkostenvergoeding van € 15,00 per half jaar staat. Appellant heeft zijn - ter zitting naar voren gebrachte - stelling dat in de koopprijs van het perceel tevens een vergoeding voor zijn werkzaamheden is verdisconteerd, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de ingevolge artikel 1, achtste lid, van de planvoorschriften vereiste noodzakelijkheid ontbreekt, zodat het bouwplan reeds hierom in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.

   Gelet op de omstandigheid dat het bestreden besluit in essentie in stand is gelaten en slechts op niet-inhoudelijke gronden deels is vernietigd, heeft de rechtbank aanleiding kunnen zien om het college niet in de proceskosten te verwijzen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het oordeel van de rechtbank omtrent de proceskosten getuigt van een onjuiste opvatting van de regeling, neergelegd in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij wordt in aanmerking genomen, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 juni 2003 in zaak no. 200205456/1, dat het uitspreken van een proceskostenveroordeling geen verplichting is, maar een bevoegdheid.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2007

218-531.