Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ5482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
200602985/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2005 heeft de gemeenteraad van Haren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 augustus 2005 het bestemmingsplan "Correctieve en partiële herziening bestemmingsplan Haren-Oosterhaar" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602985/1.

Datum uitspraak: 3 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [wooplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2005 heeft de gemeenteraad van Haren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 augustus 2005 het bestemmingsplan "Correctieve en partiële herziening bestemmingsplan Haren-Oosterhaar" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 maart 2006, kenmerk 2005-21.123/12/B.2, RP, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 20 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2006, waar appellante in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door A.H. Wiechertjes, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellante

2.3.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plangrens, voor zover de garage behorend bij haar woning aan de [locatie a] niet in het plan is opgenomen.

   Appellante stelt dat er sprake is van rechtsongelijkheid omdat garageboxen in de nabijheid van haar woning de bestemming "Woondoeleinden" hebben gekregen, terwijl haar garagebox is bestemd als "Doeleinden van verkeer en verblijf" (met de aanduiding "garageboxen toegestaan"). Voorts is volgens appellante ten gevolge van de laatstgenoemde bestemming sprake van rechtsonzekerheid, hetgeen waardevermindering tot gevolg heeft. Het standpunt van verweerder, dat de garagebox buiten het plangebied ligt, gaat niet op, omdat de garagebox behorend bij de woning [locatie b] binnen het plangebied ligt en ook een verkeersbestemming heeft gekregen, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder stelt dat het beroep van appellante niet kan slagen, nu de garagebox van appellante buiten het plangebied is gelegen.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Aan de garagebox behorend bij [locatie a], kadastraal bekend gemeente Haren, sectie […], nummer […], is in het bestemmingsplan "Haren-Oosterhaar" de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" toegekend met de aanduiding "garageboxen toegestaan". Tegen genoemd bestemmingsplan heeft appellante geen zienswijzen en bedenkingen ingediend. Het bestemmingsplan is (inmiddels) onherroepelijk.

   Op de plankaart van het bestemmingsplan "Haren-Oosterhaar" is een garagebox behorend bij huisnummer [b] onder de bestemming "Woondoeleinden" gebracht in plaats van onder de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" met de aanduiding "garageboxen toegestaan". In de voorliggende herziening wordt onder meer deze foutief geachte bestemming hersteld. Door middel van het thans voorliggende bestemmingsplan hebben nu alle garageboxen behorend bij de woningen [locaties] de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" met de aanduiding "garageboxen toegestaan".

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

   De Afdeling stelt vast dat de garagebox, behorende bij de woning van appellante aan de [locatie a], buiten het plangebied van de voorliggende herziening is gelegen.

   Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de garagebox bij de woning [locatie b] wel in het plangebied ligt, stelt de Afdeling voorts vast dat, zoals uit overweging 2.5.1. ook blijkt, het plan er onder meer juist op is gericht om de in het bestemmingsplan "Haren-Oosterhaar" aan deze garagebox toegekende bestemming te herzien, omdat aan deze garagebox

- anders dan aan alle overige garageboxen - de bestemming "Woondoeleinden" was toegekend. Met de voorliggende herziening is derhalve een situatie geschapen, waarbij aan alle garageboxen de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" met de aanduiding "garageboxen toegestaan" is toegekend. In dat verband is, anders dan appellante heeft betoogd, niet gebleken dat garageboxen in de nabijheid van de woning van appellante de bestemming "Woondoeleinden" hebben gekregen.

   Voor zover appellante zich niet kan vinden in de bestemming die aan haar garagebox is toegekend overweegt de Afdeling dat deze bestemming reeds in het bestemmingsplan "Haren-Oosterhaar" is neergelegd. Appellante heeft in die planprocedure de mogelijkheid gehad om, indien zij zich niet in de bestemming kon vinden, een zienswijze in te dienen bij de gemeenteraad tegen het ontwerpplan en een bedenking in te dienen bij verweerder tegen het vastgestelde plan. Blijkens de stukken heeft zij dit nagelaten en is dat bestemmingsplan inmiddels onherroepelijk.

   Het is niet mogelijk in de onderhavige procedure alsnog tegen de onherroepelijke en niet in dit plan neergelegde bestemming van de garagebox op te komen.

   De Afdeling overweegt dat geen grond bestaat voor de vrees van appellante dat de garagebox en oprit, met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf", een openbaar karakter hebben gekregen. De bestemmingswijziging heeft geen verandering in de eigendomsverhoudingen meegebracht.

   De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

   In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Dorst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2007

357-535.