Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
200608369/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewaring / rechtmatig verblijf

Vaststaat dat appellant over een Bulgaars paspoort, geldig tot 19 mei 2010, beschikt. Door te overwegen dat appellant niet over een geldig identiteitsdocument beschikt, omdat daarin een geldig visum ontbreekt, heeft de rechtbank miskend dat appellant, die de Bulgaarse nationaliteit heeft, voor een verblijf van ten hoogste drie maanden is vrijgesteld van de visumplicht. Voorts heeft de minister niet bestreden dat appellant zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon bij de korpschef heeft gemeld als bedoeld in artikel 4.48, eerste lid, Vb 2000 en dat ten tijde van de inbewaringstelling de termijn van drie maanden nog niet was verstreken. Appellant had derhalve voldaan aan de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 bedoelde bij of krachtens die wet gestelde regels en zijn verblijf was krachtens die bepaling toegestaan. Mitsdien verbleef appellant rechtmatig in Nederland. De nog resterende grond voor bewaring "geen vaste woon- en verblijfplaats" kan aan het rechtmatig verblijf dat appellant krachtens artikel 8, aanhef en onder i, Vw 2000 had in dit geval niet afdoen. De minister heeft appellant ten onrechte in bewaring gesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 12
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608369/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/52787 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 13 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2006 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 november 2006, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 november 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 2, 4 en 5 klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door te overwegen dat hij niet over een geldig identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) beschikt en zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, heeft miskend dat onderdanen van Bulgarije zijn vrijgesteld van de visumplicht en dat hij zich ten tijde van de inbewaringstelling nog in de vrije termijn bevond.

2.2. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), voor zover thans van belang, heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is het aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij de bij of krachtens deze wet gestelde regels in acht neemt.

Ingevolge artikel 4.48, eerste lid, van het Vb 2000 meldt de vreemdeling die rechtmatig verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder i, van de wet en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon of verblijfplaats heeft.

Volgens paragraaf A2/4.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), voor zover thans van belang, bestaan op basis van overeenkomsten tot afschaffing van de visumplicht van de Benelux- of Schengenstaten met derde landen uitzonderingen op de visumplicht. Vrijgesteld zijn onderdanen van de landen opgesomd in bijlage 1, II, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies (Publicatieblad Nr. C310/01 van 19 december 2003), aldus deze paragraaf.

Bulgarije is opgenomen in Bijlage 1, II, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies.

2.3. Vast staat dat appellant over een op zijn naam gesteld Bulgaars paspoort, geldig tot 19 mei 2010, beschikt. Door te overwegen dat appellant niet over een geldig identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 beschikt, omdat daarin een geldig visum ontbreekt, heeft de rechtbank miskend dat appellant, die de Bulgaarse nationaliteit heeft, voor een verblijf van ten hoogste drie maanden is vrijgesteld van de visumplicht. Voorts heeft de minister niet bestreden dat appellant zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon bij de korpschef heeft gemeld als bedoeld in artikel 4.48, eerste lid, van het Vb 2000 en dat ten tijde van de inbewaringstelling de termijn van drie maanden nog niet was verstreken. Appellant had derhalve voldaan aan de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bedoelde bij of krachtens die wet gestelde regels en zijn verblijf was krachtens die bepaling toegestaan. Mitsdien verbleef hij ingevolge artikel 8, aanhef en onder i, van de Vw 2000 rechtmatig hier te lande. De rechtbank heeft derhalve eveneens ten onrechte overwogen dat de minister zich in het besluit tot inbewaringstelling op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden.

De grieven slagen.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep beoordelen in het licht van de tegen het besluit van 26 oktober 2006 in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.5. Naast de in voorgaande overwegingen ondeugdelijk bevonden gronden voor de bewaring heeft de minister aan zijn besluit van 26 oktober 2006 ten grondslag gelegd dat appellant geen vaste woon- en verblijfplaats heeft, verdacht wordt van het plegen van een misdrijf en werkend is aangetroffen in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank heeft de minister de laatste twee gronden teruggenomen. Onder die omstandigheden kan geen betekenis meer toekomen aan de stelling van de minister in zijn reactie op het hoger beroep van appellant dat, nu appellant werkend is aangetroffen, artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 op hem van toepassing is en de vrije termijn om die reden is geëindigd.

2.6. De nog resterende grond voor bewaring "geen vaste woon- en verblijfplaats" kan aan het rechtmatig verblijf

dat appellant krachtens artikel 8, aanhef en onder i, van de Vw 2000 had in dit geval niet afdoen. De minister heeft appellant derhalve ten onrechte in bewaring gesteld.

2.7. Het beroep van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2006 is gegrond. Appellant is op 13 november 2006 uitgezet. Aan hem zal op na te melden wijze schadevergoeding worden toegekend.

2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 13 november 2006 in zaak no. AWB 06/52787;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan appellant te betalen een vergoeding van € 1.260,00 (zegge: twaalfhonderdzestig euro);

V. veroordeelt de Minister van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.N.H. Nguyen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter w.g. Nguyen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

421

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak