Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2006
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
200607156/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Jehova's getuigen.

De minister heeft in de enkele omstandigheid dat de vreemdeling, naar deze heeft gesteld, zich tot de Jehova’s Getuigen heeft bekeerd en zijn geloof na terugkeer in Afghanistan actief zal uitdragen, geen aanleiding hoeven zien aannemelijk te achten dat de autoriteiten in het land van herkomst van zijn afvalligheid op de hoogte zullen geraken en dat dit tot het opleggen en het voltrekken van de doodstraf zal leiden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607156/1.

Datum uitspraak: 18 december 2006

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/51783 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 30 augustus 2006 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft appellant (hierna: de minister), voor zover thans van belang, een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 augustus 2006, verzonden op 31 augustus 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 oktober 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2.Overwegingen

2.1. In de tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat hij zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als bekeerde moslim bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) strijdige behandeling, het blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) gestelde individualiseringsvereiste heeft miskend.

2.1.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge dat artikel is het, indien deze dat stelt, aan de vreemdeling die om bescherming vraagt om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

2.1.2. Volgens het arrest van het EHRM van 30 oktober 1991 in de zaak Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19) dient, wil aannemelijk zijn dat een vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken ("special distinguishing features"), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

Uit latere jurisprudentie van het EHRM blijkt niet dat het aldus gestelde individualiseringsvereiste is verlaten, doch dat daarnaast betekenis toekomt aan de algemene mensenrechtensituatie in het land van herkomst waaraan het individuele asielrelaas wordt gerelateerd (arrest van het EHRM van 6 maart 2001, JV 2001/104 en van 17 februari 2004 in de zaak Venkadajalasarma tegen Nederland, nr. 5810/00, NJB 2004, p. 893, nr. 20). Daarom zal de desbetreffende vreemdeling ook in geval van uitzetting naar landen, waar sprake is van mensenrechtenschendingen jegens een groep, waartoe hij behoort, specifieke, hem persoonlijk betreffende terzake dienende feiten en omstandigheden moeten stellen en aannemelijk maken om de bescherming van artikel 3 van het EVRM in te roepen.

2.1.3. In het aanvullend gehoor heeft de vreemdeling, voor zover thans van belang, verklaard dat hij niet naar Afghanistan kan terugkeren, omdat hij het islamitische geloof niet langer aanhangt en zich tot de Jehova’s Getuigen heeft bekeerd en zijn familie en vrienden in Afghanistan, die daarvan op de hoogte zijn, negatief op zijn bekering hebben gereageerd. In beroep heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 juli 2005, betoogd dat - samengevat weergegeven - afvalligheid in Afghanistan tot het opleggen van de doodstraf kan leiden en de minister nader onderzoek naar de positie van Jehova’s Getuigen in Afghanistan had moeten doen.

2.1.4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - in hoger beroep onweersproken - overwogen met de minister van oordeel te zijn dat de vreemdeling, die heeft gesteld dat hij door zijn tante geschreven dreigbrieven heeft ontvangen, niet aannemelijk heeft gemaakt waaruit de gestelde dreigementen bestaan en dat het aan de vreemdeling kan worden toegerekend dat hij die brieven niet heeft bewaard. De minister heeft in de enkele omstandigheid dat de vreemdeling, naar deze heeft gesteld, zich tot de Jehova’s Getuigen heeft bekeerd en zijn geloof na terugkeer in Afghanistan actief zal uitdragen, geen aanleiding hoeven zien aannemelijk te achten dat de autoriteiten in het land van herkomst van zijn afvalligheid op de hoogte zullen geraken en dat dit tot het opleggen en het voltrekken van de doodstraf zal leiden.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als bekeerde moslim bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Dat volgens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 juli 2005 afvalligheid in Afghanistan tot het opleggen van de doodstraf kan leiden, heeft de minister in het licht van de niet nader onderbouwde stellingen van de vreemdeling, die slechts in algemene termen heeft omschreven wat de mogelijke gevolgen zijn, indien na zijn terugkeer naar Afghanistan bekend wordt dat hij het islamitische geloof niet langer aanhangt, niet tot een ander oordeel hoeven leiden.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.2.1. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.2.2. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2003 alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 30 augustus 2006 in zaak no. AWB 05/51783;

III. verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2006

452

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak