Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5204

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200602222/1 en 200602224/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 17 februari 2006, kenmerk 11644404/27864 respectievelijk 1164404/24128, heeft verweerder de aan appellanten ingevolge de Grondwaterwet verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater ten behoeve van beregening ambtshalve gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602222/1 en 200602224/1

Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Gova bv", gevestigd te Nispen,

2.    de vennootschap onder firma "Kwekerij 't Akker vof", gevestigd te Nispen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 17 februari 2006, kenmerk 11644404/27864 respectievelijk 1164404/24128, heeft verweerder de aan appellanten ingevolge de Grondwaterwet verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater ten behoeve van beregening ambtshalve gewijzigd.

Tegen het besluit met kenmerk 11644404/27864 heeft appellante sub 1 bij brief van 21 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2006, beroep ingesteld. Tegen het besluit met kenmerk 1164404/24128 heeft appellante sub 2 heeft bij brief van 21 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2006, beroep ingesteld.

Bij brieven van 16 mei 2006 heeft verweerder verweerschriften ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2006, waar appellante sub 1 en appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.H. de Vries, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten sub 1 en 2 die bij elkaar gelegen en met elkaar samenwerkende bedrijven exploiteren, betogen dat verweerder ten onrechte in de besluiten van 17 februari 2006 geen rekening heeft gehouden met de door hen bij brief van 10 januari 2006 ingediende zienswijzen.

   Zij voeren aan dat de zienswijzen weliswaar na de daartoe gestelde termijn zijn ingediend, maar dat dit hen, gezien de grote bedrijfsdrukte in de maanden oktober en november 2005 en de sneeuwstorm die hen op 26 november 2005 heeft getroffen, redelijkerwijs niet kan worden verweten.

2.2.    Ingevolge artikel 3:16, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

   Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3.    Het ontwerp van het besluit heeft van 14 oktober tot 25 november 2005 ter inzage gelegen. Appellanten sub 1 en 2 hebben binnen de daartoe gestelde termijn geen zienswijzen naar voren gebracht. Zij stellen dat in oktober en november sprake is van een zeer drukke tijd in hun bedrijven. Verder heeft op 26 november 2005 een sneeuwstorm schade aangericht op hun bedrijven. De afwikkeling van de gevolgen van de schade heeft veel tijd in beslag genomen. Het vorenstaande heeft volgens appellanten tot gevolg gehad dat eerst op 10 januari 2006 zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren zijn gebracht.

   Naar het oordeel van de Afdeling had het evenwel op de weg van appellanten gelegen om gedurende deze periode maatregelen te treffen voor de behartiging van hun belangen. Nu niet is gebleken dat appellanten hiertoe in het geheel niet in staat zijn geweest, kan naar het oordeel van de Afdeling niet met recht worden gesteld dat appellanten wat betreft het niet tijdig inbrengen van zienswijzen redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

2.4.    De beroepen zijn niet-ontvankelijk.

2.5.    Voor proceskostenveroordelingen bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

191-456