Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5199

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200600641/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2005 heeft de gemeenteraad van Druten op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 april 2005 het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Van Heemstraweg-Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600641/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2005 heeft de gemeenteraad van Druten op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 april 2005 het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Van Heemstraweg-Zuid" vastgesteld.

Bij besluit van 6 december 2005, nr. RE2005.32206, heeft verweerder over de goedkeuring van dit plan beslist.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2006, en [appellant sub 2] bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2006, beroep ingesteld.  

Bij brief van 14 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 juni 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Druten, verweerder en [appellant sub 1]. Deze zijn steeds aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek heeft [appellant sub 1] nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2006, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. V.C.E. Wattenberg, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij de gemeenteraad, vertegenwoordigd door L. Flier en H.A.M. Jansen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3.    Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de aanleg van een bedrijventerrein direct ten zuiden van de Van Heemstraweg en direct ten oosten van de Noord-Zuid te Druten.

Het standpunt van [appellant sub 1]

2.4.    [appellant sub 1] betoogt dat verweerder door goedkeuring aan het plan te verlenen, heeft miskend dat met dit plan onvoldoende recht wordt gedaan aan de beschermingswaardige cultuurhistorische waarden van het rivierduin van Puiflijk en de aanleg van een bedrijventerrein op deze locatie haaks staat op het rijks- en provinciaal cultuurhistorisch en ruimtelijk beleid voor dit gebied. Ter toelichting verwijst zij naar de Nota Belvédère en de provinciale nota Belvoir. Volgens appellante moet de herkenbaarheid van het oude dorp Puiflijk behouden blijven en kan het bedrijventerrein beter aan de noordzijde van de Van Heemstraweg gesitueerd worden.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht, omdat het plangebied in het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) niet als Waardevol Landschap is aangemerkt.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Uit het deskundigenbericht valt af te leiden dat het plangebied niet tot het rivierduin behoort, maar is gelegen op ongeveer 600 meter van de rand ervan. Tussen het plangebied en het rivierduin bevinden zich boomgaarden. Puiflijk is gebouwd op en rondom het rivierduin. Puiflijk was voorheen een vrijliggend dorp, maar thans grenst de noordoostzijde van het dorp direct aan Druten. Het is vanaf de rijbaan en de parallelweg van de Van Heemstraweg goed zichtbaar.

2.7.    Het plangebied is gelegen in het land van Maas en Waal dat behoort tot de Belvédèregebieden, die in verband met hun bijzondere cultuurhistorische en landschappelijke waarden zijn opgenomen in de Nota Belvédère, een beleidsnota van het Rijk over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting.

   In de bijlage bij deze nota zijn de cultuurhistorische waarden van het gebied beschreven. Volgens deze beschrijving kenmerkt het gebied zich door een landschap dat karakteristiek is voor het rivierengebied, met door dijken beschermde oeverwallen en komgebieden. Een bijzonderheid in het Land van Maas en Waal wordt volgens de bijlage gevormd door de reeks meer besloten en hoger gelegen rivierduinen met de dorpen Horssen, Bergharen en Hernen. Bij de beschrijving van het Belvédèregebied Land van Maas en Waal worden alleen deze rivierduinen vermeld. Het rivierduin van Puiflijk wordt niet bij de beschrijving van het Belvédèregebied vermeld.

2.8.    In de provinciale nota "Belvoir2", bij besluit van 25 mei 2005 vastgesteld door provinciale staten, wordt uitgegaan van een Cultuurhistorische Waardenkaart en een Cultuurhistorische Beleidskaart. De Cultuurhistorische Beleidskaart is in het streekplan opgenomen als themakaart. Het plangebied valt binnen het deelgebied Rivierengebied. In de gebiedsbeschrijving van het Rivierengebied wordt het rivierduin van Puiflijk niet vermeld. Deze kaarten met bijbehorende cultuurhistorische waarden zijn volgens het deskundigenbericht van belang geweest bij de omschrijving van de Waardevolle Landschappen in het streekplan.

2.9.    Volgens de in het streekplan opgenomen themakaart 22 behoort het plangebied niet tot gebieden die zijn aangemerkt als een Waardevol Landschap, binnen welke het beleid is gericht op behoud en versterking van de waarden. Ook op de themakaarten 23 (Nationaal Landschap) en 24 (Open gebieden) is het plangebied niet aangeduid.

   Volgens het streekplan is ter plaatse een bedrijventerrein toegestaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.7 en 2.8 is overwogen, moet worden geconcludeerd dat zich in het plangebied en in de onmiddellijke omgeving daarvan niet de cultuurhistorische waarden voordoen op grond waarvan het Land van Maas en Waal als Belvédèregebied is aangemerkt en dit gebied geen cultuurhistorische waarden in de zin van de provinciale nota "Belvoir2" bevat. Het plangebied is in het streekplan niet als Waardevol Landschap aangemerkt.

   Volgens het deskundigenbericht zal het zicht op Puiflijk ter hoogte van het bedrijventerrein vanaf de rijbaan en de parallelweg van de Van Heemstraweg weliswaar verdwijnen, maar zal dit niet leiden tot een aantasting van het rivierduin, omdat de voor het rivierduin kenmerkende hoogteverschillen op de afstand waarop het plangebied is gelegen niet of nauwelijks meer zichtbaar zijn. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om niet van de juistheid van het deskundigenbericht op dit punt uit te gaan. Het betoog van appellante dat in het plan, in strijd met rijks- en provinciaal beleid, onvoldoende bescherming wordt geboden aan cultuurhistorische waarden, faalt.

2.11.    Het bestaan van mogelijke alternatieven levert op zichzelf geen grond op om het verlenen van goedkeuring aan het bestemmingsplan onrechtmatig te oordelen. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen, indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het gebruik dat het plan beoogt mogelijk te maken. In het door [appellant sub 1] aangevoerde is geen grond te vinden dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Het standpunt van [appellant sub 2]

2.12.    [appellant sub 2] betoogt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de begrenzing van het bestemmingsplan, voorzover daarbij zijn gronden buiten het plangebied zijn gelaten. Die gronden waren wel in het voorontwerp-bestemmingsplan opgenomen. Volgens hem was de reden om zijn gronden buiten het plangebied te laten dat de onderhandelingen met de gemeente over de aankoop van de gronden mislukt zijn en heeft verweerder dit onderdeel van het bestemmingsplan ten onrechte niet op het aspect van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld.

Het standpunt van verweerder

2.13.    Verweerder heeft de begrenzing van het bestemmingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht geacht, omdat het volgens hem niet onredelijk is om deze gronden onderdeel te laten blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied" en de eigendom van de betrokken gronden voor de ruimtelijke ordening niet bepalend is.

Vaststelling van de feiten

2.14.    De gronden van [appellant sub 2] hebben in het bestemmingsplan "Buitengebied" een agrarische bestemming en zijn ook als zodanig in gebruik. Zij waren in het voorontwerp-bestemmingsplan bestemd als "Agrarisch gebied" met een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van "Bedrijventerrein".

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    Aan de gemeenteraad komt een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Hij mag een begrenzing echter niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht vaststellen.

   Ter zitting heeft de gemeenteraad gesteld dat de gronden naar aanleiding van de inspraak in het kader van het voorontwerp-bestemmingsplan buiten het ontwerp-bestemmingsplan zijn gehouden om het verlies aan zicht op Puiflijk zo klein mogelijk te houden. Weliswaar is met appellant over de aankoop van de grond onderhandeld, maar ten tijde van de vaststelling van het plan was hierover geen overeenstemming bereikt. Met het niet opnemen van de gronden in het plan wordt volgens de gemeenteraad tevens bereikt dat een "groene buffer" blijft bestaan tussen het nieuwe bedrijventerrein en de woonbebouwing aan de westkant van de Kerkstraat.

2.16.    Het door [appellant sub 2] in beroep aangevoerde geeft, gelet op de motivering van de gemeenteraad om de gronden buiten het plan te laten, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat tussen de percelen van [appellant sub 2] en de aangrenzende gronden binnen het plangebied geen zodanige ruimtelijke samenhang bestaat, dat de percelen niet om die reden buiten het plan mochten worden gelaten.

De conclusie

2.17.    De conclusie is dat het in beroep aangevoerde niet tot het oordeel leidt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling anderszins evenmin grond voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht, zodat de beroepen ongegrond zijn.

2.18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb      w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

280-525.