Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200605123/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek om de achterliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het individueel ambtsbericht van 16 juli 2003 in het kader van de asielprocedure van [appellant a] gedeeltelijk ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605123/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1020 van de rechtbank Dordrecht van 2 juni 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek om de achterliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het individueel ambtsbericht van 16 juli 2003 in het kader van de asielprocedure van [appellant a] gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft de Minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2006 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Bij brief van 8 september 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2006, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. M.A. Collet, advocaat te Rotterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. P.C.T.M. van Eeuwijk, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) - voor zover hier van belang - blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2.    In het besluit op bezwaar van 4 oktober 2005 heeft de Minister zijn weigering gehandhaafd om een aantal passages openbaar te maken uit twee memoranda die ten grondslag hebben gelegen aan het betrokken individueel ambtsbericht. De Minister heeft zich daarbij beroepen op belangen gediend met bronbescherming, bescherming van onderzoeksmethoden en technieken, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen.

2.3.    Appellanten bestrijden de overweging van de rechtbank dat de Minister terecht van het horen van appellanten in de bezwaarfase heeft afgezien.

2.3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 augustus 2006 in de zaak no. 200509264/1 vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3 van de Awb worden afgezien, indien naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De argumenten die appellanten in bezwaar naar voren hebben gebracht, rechtvaardigden de conclusie dat gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake verzoeken om openbaarmaking op grond van de Wob in zaken als deze reeds aanstonds buiten twijfel was dat hun bezwaar ongegrond was, nu deze argumenten in die jurisprudentie aan de orde zijn geweest en niet zijn aanvaard.

   Gelet op het vorenstaande heeft de Minister appellanten terecht niet op hun bezwaar gehoord.

2.4.    Anders dan appellanten voorts betogen heeft de rechtbank geen onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd. De rechtbank heeft terecht aansluiting gezocht bij onder meer de uitspraken van de Afdeling van 6 oktober 2004 in zaak no. 200400880/1 (AB 2004, 366) en 16 februari 2005 in de zaken nos. 200403569/1 en 200405218/1, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, door de rechter integraal dient te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

   Uit deze uitspraken volgt tevens dat de Minister bij een beslissing inzake openbaarmaking van stukken die ten grondslag liggen aan een individueel ambtsbericht in het algemeen de belangen van bronbescherming, bescherming van onderzoeksmethoden en technieken, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen zwaarder mag laten wegen dan het openbaarheidsbelang.

2.5.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belangen van appellanten bij openbaarmaking geen belangen zijn die kunnen worden betrokken bij de belangenafweging op grond van de Wob. Zij stellen in dit verband dat de mogelijkheid om informatie waarop de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich beroept te betwisten door middel van het doen van contra-expertise tot de belangen behoort die de Wob geacht wordt te beschermen. Tevens bestrijden appellanten het oordeel van de rechtbank dat vragen met betrekking tot de juistheid en zorgvuldigheid van de totstandkoming van het ambtsbericht in dit geding niet ter beoordeling staan en in de asielprocedure aan de orde hadden kunnen worden gesteld.  Appellanten betogen dat zij door de geheimhouding van de betrokken stukken onvoldoende in staat zijn gronden aan te voeren tegen een afwijzende beschikking in de asielprocedure.

2.5.1.    Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Dat het kunnen laten verrichten van een contra-expertise en het op andere wijze kunnen controleren van de juistheid van het ambtsbericht ook de goede en democratische bestuursvoering dient, betekent niet dat dit belang afzonderlijk in de in het kader van de Wob te verrichten afweging tussen het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen wordt betrokken. Aangezien de Wob geen mogelijkheid biedt voor een niet-algemene vorm van openbaarmaking, dat wil zeggen slechts bekendmaking aan de verzoeker wegens diens specifieke belang, kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met een dergelijk belang in het kader van de Wob geen rekening worden gehouden.

2.5.2.    Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan appellant verstrekte tekstpassages in de twee memoranda, stelt de Afdeling vast dat de belangen waarop de Minister zich heeft beroepen, bij de informatie in deze passages aan de orde zijn.

De passages die zijn vervangen door code 1 bevatten informatie met betrekking tot personen die betrokken zijn geweest bij het onderzoek. De passages welke zijn vervangen door code 2 bevatten informatie met betrekking tot de beoordeling van de authenticiteit van documenten. Nu deze informatie betrekking heeft op onderzoeksmethoden en technieken die door verweerder worden toegepast, zou openbaarmaking van deze informatie onderzoek in de toekomst ernstig kunnen bemoeilijken. Gezien de inhoud van deze passages en hetgeen onder 2.4, tweede alinea, is overwogen, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de Minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de door de weigeringsgronden te beschermen belangen in dit geval zwaarder wegen dan het openbaarheidsbelang.

2.6.    Voorts betogen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister voldoende gemotiveerd heeft waarom het niet mogelijk is een ingekorte, geobjectiveerde of geanonimiseerde versie van de stukken te verstrekken.

2.6.1.    In het kader van het verzoek van appellanten zijn op 21 juli 2004 stukken openbaar gemaakt. Deze stukken zijn op zichzelf al een geanonimiseerde versie van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het individueel ambtsbericht van [appellant a]. Gezien de inhoud van de stukken kan geen verdere openbaarmaking plaatsvinden, ook niet in ingekorte, geobjectiveerde of geanonimiseerde versie. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat indien tot openbaarmaking zou worden overgegaan geheim te houden informatie alsnog zou worden prijs gegeven.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

306-538.