Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5181

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200601694/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorhout, thans gemeente Teylingen, (hierna: het college)  [vergunnignhouder] vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend van het bestemmingsplan "Oosterhout 1995" voor de vestiging van een lunchroom/snackbar op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Voorhout, gemeente Teylingen (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 229
ABkort 2007/31
JOM 2008/812
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601694/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Vereniging van Eigenaren Balsemkruidstraat/Oosthoutplein", gevestigd te Voorhout, gemeente Teylingen,

appellante,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/8730, 05/8729, 05/8991 en 05/8990 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 januari 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorhout, thans gemeente Teylingen, (hierna: het college)  [vergunnignhouder] vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend van het bestemmingsplan "Oosterhout 1995" voor de vestiging van een lunchroom/snackbar op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Voorhout, gemeente Teylingen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 11 januari 2006, verzonden op 19 januari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2006, waar appellante vertegenwoordigd door [lid], en mr. I.J. Verbaan, gemachtigde, is verschenen. Het college is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2.2.    De voorzieningenrechter heeft ten onrechte het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 25 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat appellante belanghebbende is bij de aan haar gerichte beslissing op bezwaar en dat in beroep een inhoudelijk oordeel diende te worden gegeven over de vraag of het college appellante terecht niet in haar bezwaren heeft ontvangen.

2.3.    Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd. Gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State (hierna: Wet RvS) moet de zaak in beginsel worden teruggewezen naar de rechtbank, maar nu de zaak gelet op het hierna volgende geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Afdeling de zaak met toepassing van artikel 45 van de Wet RvS zonder terugwijzing afdoen.

2.4.    Appellante bestrijdt het oordeel van het college dat haar bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt bij het besluit tot het verlenen van vrijstelling. Hiertoe betoogt appellante dat zij volgens het van de akte van Splitsing deel uitmakende "Splitsingsreglement 1992" een collectief belang behartigt dat door de verleende vrijstelling direct wordt geraakt.

2.5.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.6.    Ingevolge artikel 15 van het "Splitsingsreglement 1992" voert de vereniging het beheer en draagt de zorg voor het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken en rechten.

   Het uit dit artikel voortvloeiende belang, het voorkomen van vervuiling van de gemeenschappelijke ruimten waarover zij het beheer voert, moet worden aangemerkt als een eigen belang van appellante, dat bij de verleende vrijstelling en bouwvergunning rechtstreeks is betrokken. Appellante is daarom belanghebbende, zodat haar beroep slaagt.

2.7.    Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling derhalve het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van het college van 25 oktober 2005, kenmerk 2005/7380, vernietigen, voor zover hierbij het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is verklaard.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 januari 2006 in de zaken nos. AWB 05/8730, 05/8729, 05/8991 EN 05/8990, voor zover hierbij het beroep van appellante niet-ontvankelijk is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellante gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Teylingen van 25 oktober 2005, kenmerk 2005/7380, voor zover hierbij de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk zijn verklaard;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Teylingen tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Teylingen aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Teylingen aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Voorzitter   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

17-503.