Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5169

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200604471/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2006:AX8603, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 maart 2005 heeft het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle-Lelystad (hierna: het CIDC) een verzoek van [verzoeker] om inzage in enkele door hem daarbij vermelde stukken afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 104 met annotatie van J.A.F. Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604471/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek", gevestigd te Wageningen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2423 van de rechtbank Arnhem van 27 april 2006 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle-Lelystad, gevestigd te Lelystad.

1.    Procesverloop

Bij brief van 25 maart 2005 heeft het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle-Lelystad (hierna: het CIDC) een verzoek van [verzoeker] om inzage in enkele door hem daarbij vermelde stukken afgewezen.

Bij besluit van 25 mei 2005 heeft het CIDC het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 april 2006, verzonden op 11 mei 2006, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op15 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2006 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2006 alwaar appellante, vertegenwoordigd door haar medewerkster mr. A. Orthel, en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door J. van den Bos, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De uitspraak van 27 april 2006 is gedaan in een geding tussen [verzoeker] en het CIDC. Niet is gebleken dat het CIDC zelfstandige rechtspersoonlijkheid heeft. Het moet er voor worden gehouden dat het CIDC in de procedure namens appellante heeft gehandeld.

2.2.    Niet in geschil is dat appellante krachtens publiekrecht is opgericht, noch over enig openbaar gezag beschikt, zodat zij geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is.

2.3.    De rechtbank heeft zich om deze reden onbevoegd verklaard om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen. Zij heeft verder overwogen dat appellante kan worden aangemerkt als een onder verantwoordelijkheid van enig bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf, als bedoeld in artikel 3, eerst lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), zodat het verzoek van [verzoeker] op informatie in de zin van de Wob betrekking heeft.

2.4.    Appellante klaagt dat de rechtbank met die overweging heeft miskend dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) geen zeggenschap over haar heeft. Zij is een geprivatiseerde instelling en daarom heeft de Minister slechts een beperkte invloed op haar organisatie, zo stelt zij.

2.4.1.    Appellante beoogt aldus kennelijk te betogen dat de uitspraak van de rechtbank weliswaar dient te worden bevestigd, doch met verbetering van de gronden waarop zij rust, in die zin dat wordt overwogen dat appellante niet is aan te merken als werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan in de zin van de Wob. Nu de aldus bestreden overweging echter kennelijk louter ten overvloede is gegeven, heeft zij geen belang bij het door haar ingestelde hoger beroep.

2.5.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb            w.g. Klein

Voorzitter          ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006.

176-384.