Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5168

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200603009/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie te verlenen voor de verzorging en opvoeding van zijn kleindochter afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603009/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Orthopedagogisch Centrum Kennemerland "Het Spalier",

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3609 van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie te verlenen voor de verzorging en opvoeding van zijn kleindochter afgewezen.

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 29 juni 2005 vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken na de verzending van haar uitspraak met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 juli 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door W.J. Smits, werkzaam bij appellant, en mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. J.I. Vervest, advocaat te Beverwijk, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de jeugdhulpverlening (vervallen; hierna: de Wjhv), zoals de wet luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder jeugdhulpverlening: activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden.

    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wjhv wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder pleeggezin: een gezin van anderen dan de ouders of stiefouder van een jeugdige waarin de jeugdige wordt verzorgd en opgevoed.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wjhv, wordt de jeugdhulpverlening onderscheiden in, onder meer, de volgende typen: pleegzorg: hulpverlening bestaande uit het bieden van opneming in een pleeggezin en de daarmee verband houdende begeleiding van pleegkinderen, pleegouders, ouders en stiefouders.

   Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Wjhv vangt secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c, slechts aan en wordt deze slechts hervat als bedoeld in artikel 1, eerste  lid, onder b, 3°, indien een bevoegde plaatsende instantie overeenkomstig deze wet niet langer dan twee maanden tevoren heeft vastgesteld dat die hulpverlening voor de betrokken jeugdige aangewezen is te achten. De hulpverlening geschiedt slechts gedurende de door de plaatsende instantie aangegeven termijn.

   Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Wjhv zijn als plaatsende instantie erkend:

a. voogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen, waarover zij de voogdij dan wel de voorlopige voogdij uitoefenen;

b. de raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van het ouderlijk gezag of de voogdij;

c. gezinsvoogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen die onder hun toezicht staan.

   Ingevolge artikel 39 van de Wjhv verstrekt een uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg overeenkomstig artikel 40, aan een pleeggezin subsidie voor de verzorging en opvoeding van een jeugdige, indien:

a. de jeugdige daadwerkelijk in het pleeggezin wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract, overeenkomstig een door Onze ministers vast te stellen model;

b. ook overigens wordt voldaan aan het bij of krachtens deze wet bepaalde.

   Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wjhv bedraagt de subsidie voor elke jeugdige een door Onze ministers vast te stellen basisbedrag, dat voor te onderscheiden leeftijdscategorieën verschillend kan zijn.

2.2.    Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie te verlenen voor de verzorging en opvoeding van zijn kleindochter afgewezen. Aan de afwijzing heeft appellant ten grondslag gelegd dat de subsidie op grond van de Wjhv slechts wordt verstrekt aan een pleeggezin, indien een minderjarige in een pleeggezin wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract en dat [wederpartij], die is belast met de voogdij over zijn kleindochter, niet is gelijk te stellen met een pleegouder. Bij de beslissing op bezwaar van 29 juni 2005 heeft appellant dit besluit gehandhaafd.

2.3.    De rechtbank heeft het bij haar bestreden besluit vernietigd. Zij heeft daartoe overwogen dat het verschil tussen pleegouder en voogd geen onderscheid rechtvaardigt ten aanzien van een aanspraak op een subsidie als bedoeld in artikel 39 van de Wjhv. In de Wjhv, noch de totstandkomingsgeschiedenis ervan, zijn volgens de rechtbank aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat voogden, vanwege hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, niet in aanmerking komen voor een dergelijke subsidie. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat het onderhavige geval materieel dusdanig relevante gelijkenissen vertoont met de situatie van een pleeggezin, dat niet valt in te zien dat [wederpartij] als voogd van zijn kleindochter niet in aanmerking komt voor de gevraagde subsidie.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Wjhv geen grondslag biedt aan anderen dan pleegouders pleegzorg - waaronder subsidie als bedoeld in artikel 39 van de Wjhv - te bieden.

2.4.1.    Het betoog slaagt. Gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wjhv is deze wet gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden. Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wjhv kunnen in dit kader jeugdigen in een pleeggezin worden geplaatst door - onder meer - voogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen waarover zij de (voorlopige) voogdij uitoefenen. De plaatsende instantie draagt er onder meer zorg voor dat de hulpverlening die voor de jeugdige aangewezen wordt geacht, wordt gerealiseerd. In het kader van die hulpverlening wordt met pleegouders een pleegcontract gesloten. Voor de verzorging en opvoeding in het kader van hulpverlening kan aan de pleegouders met wie een dergelijk contract is gesloten, subsidie worden verleend om hen tegemoet te komen in de kosten van een dergelijke opvoeding en verzorging die zij aan de jeugdige bieden.

   [wederpartij] en zijn vrouw vormen geen pleeggezin bij wie door een plaatsende instantie wegens een hulpverleningsvraag een kind is geplaatst op basis van een met de plaatsende instantie aangegaan pleegcontract. Gelet hierop is geen sprake van hulpverlening als bedoeld in de Wjhv in de vorm van opvoeding en verzorging op grond waarvan appellant aan [wederpartij] een subsidie als bedoeld in artikel 39 van de Wjhv kan verstrekken.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2006 in zaak no. AWB 05/3609;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk              w.g. Groenendijk

Voorzitter           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

362