Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200604034/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2006 heeft verweerder de ernst en urgentie van een geval van bodemverontreiniging op locatie 1e Nieuwstraat 30/32-38 te Hilversum vastgesteld. Dit besluit heeft vanaf 20 april 2006 ter inzage gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604034/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2006 heeft verweerder de ernst en urgentie van een geval van bodemverontreiniging op locatie 1e Nieuwstraat 30/32-38 te Hilversum vastgesteld. Dit besluit heeft vanaf 20 april 2006 ter inzage gelegen.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 1 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door E.G. Tax, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J.M.A. Poppelaars, drs. M.J. Eijndhoven en ing. C.J. de Vlieger, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten naar aanleiding van een melding in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

   Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, tevens vast of spoedige sanering noodzakelijk is.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat een geval van ernstige verontreiniging van de bodem aanwezig is op de percelen kadastraal geregistreerd als nummer 7362 (gedeeltelijk), 7770 (geheel) en 7771 (gedeeltelijk) te Hilversum. Tevens heeft verweerder vastgesteld dat spoedige sanering niet nodig is.

   Het terrein waarop de verontreiniging is vastgesteld was voorheen aangeduid als perceel [locatie] en is thans opgesplitst. Het omvat nu de percelen behorend bij de adressen 1e Nieuwstraat huisnummers 32 tot en met 38 alsmede een als 30A aangeduid perceel, behorend bij het adres van appellant, 1e Nieuwstraat huisnummer 30.    

2.3.    Er is volgens appellant geen reden om aan te nemen dat het in het besluit opgenomen deel van zijn perceel, waarop zich zijn garage bevindt, vervuild is. Hij stelt dat bij de taxatie van het perceel in verband met de aankoop daarvan in 2004 door de gemeente Hilversum desgevraagd is meegedeeld dat er op het perceel geen sprake was van verontreiniging anders dan mogelijk te verwachten "normale achtergrondverontreiniging". Er zijn sindsdien geen metingen verricht. Voorts betoogt appellant dat de PAK, waarmee volgens verweerder zijn perceel zou zijn verontreinigd, blijkens de beschikbare onderzoeksrapporten niet afkomstig is van bedrijfsmatige activiteit, zoals verweerder stelt, maar waarschijnlijk bij het bouwrijp maken van de percelen 1e Nieuwstraat 32-38 is ontstaan. De garage bestond toen echter al en was bij het bouwrijp maken van deze percelen niet betrokken. De onderzoeksrapporten geven volgens appellant ook geen aanleiding om aan te nemen dat de overige verontreinigingen in de bodem van zijn perceel aanwezig zijn.

   Appellant kan zich er verder niet mee verenigen dat in het rapport "[locatie] te [plaats]; nader bodemonderzoek" van oktober 2004 (hierna: het DHV-rapport) is vermeld dat hij een "mogelijk schuldig eigenaar" is.

2.4.    Het bestreden besluit heeft betrekking op de vaststelling van bodemverontreiniging en de noodzaak van spoedige sanering. Slechts dat kan in beroep aan de orde zijn. De beroepsgrond over de vermelding in het DHV-rapport heeft daarop geen betrekking, en moet daarom verder onbesproken blijven.

2.5.    Verweerder stelt dat uit de historische gegevens blijkt dat de verontreiniging is ontstaan binnen de begrenzing van het voormalige perceel [locatie]. Daar hebben de bedrijfsactiviteiten plaats gevonden die hebben geleid tot de bodemverontreiniging met PAK boven de interventiewaarde. Nadien is ter plaatse nieuwe bebouwing opgericht. Op basis van de historische gegevens en onderzoeksgegevens concludeert verweerder dat het perceel van appellant gedeeltelijk binnen de contour van de verontreiniging met PAK ligt.

2.5.1.    De Afdeling overweegt, gelet op het voorgaande, dat de door verweerder vastgestelde verontreiniging op het perceel van appellant kennelijk in het bijzonder PAK betreft, zodat de overige in de bij het nemen van het bestreden besluit betrokken bodemonderzoeken onderzochte stoffen in dit geding buiten beschouwing kunnen blijven. Volgens het DHV-rapport, dat het meest recent is van de gebruikte rapporten, is de verontreiniging met PAK terug te voeren op bijmenging met as en sintels van onbekende herkomst, waarschijnlijk in het kader van de voorbereiding van bouwwerkzaamheden. Dit laat de mogelijkheid open dat de verontreiniging met PAK niet op het perceel van appellant aanwezig was, indien dit niet was betrokken bij de bouwwerkzaamheden. Verweerder voert ter onderbouwing van zijn besluit dat de bodem van locatie 30A is vervuild met PAK alleen aan dat het perceel onderdeel is van de voormalige [locatie] waar, naar zijn zeggen door bedrijfsactiviteiten, verontreiniging van met name PAK heeft plaatsgevonden. Ter zitting is echter gebleken dat de mogelijkheid bestaat dat op de locatie waar de garage van appellant zich bevindt geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden die verontreiniging van de bodem veroorzaken. Verweerder heeft op dit punt geen nader onderzoek verricht; ook is de bodem onder de garage niet onderzocht. Ter zitting is voorts gebleken dat verweerder niet heeft onderzocht of zijn veronderstelling dat het onderhavig deel van het perceel van appellant niet bebouwd was toen de verontreiniging met PAK ontstond juist was.

2.5.2.    Gelet op het bovenstaande heeft verweerder bij de voorbereiding van het besluit, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten met betrekking tot het perceel van appellant vergaard.

2.6.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het betreft de vaststelling van de aanwezigheid van ernstige verontreiniging op perceel 30A.

2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 18 april 2006, kenmerk 2006-13455, voor zover het betreft de vaststelling van de aanwezigheid van ernstige verontreiniging op perceel 30A;

III.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink           w.g. Van der Zijpp

Lid van de enkelvoudige kamer           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

262-539.