Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ5151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
200608223/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder aan [verzoeker] voor het glastuinbouwbedrijf gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] een nadere eis gesteld op grond van het Besluit glastuinbouw. Dit besluit is op 6 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608223/2

Datum uitspraak: 18 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder aan [verzoeker] voor het glastuinbouwbedrijf gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] een nadere eis gesteld op grond van het Besluit glastuinbouw. Dit besluit is op 6 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 december 2006, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, M.C.A. Vollebregt en D.C. Blokland, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. H. Verhey, drs. M.M. Mathijsen, G.L.M. Scholtes en J.P.M. van der Valk, zijn ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De inrichting is een glastuinbouwbedrijf type B waar voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw op van toepassing is. Ingevolge dit voorschrift mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door werkzaamheden en installaties in de inrichting op de gevel van woningen niet meer bedragen dan 50 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur, 45 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur en 40 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur

2.2.1.    Bij het bestreden besluit is - voor zover te dezen van belang - in plaats van de grenswaarden in genoemd voorschrift de nadere eis gesteld, dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door werkzaamheden en installaties in de inrichting op de gevel van woningen niet meer bedraagt dan 48 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur, 42 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur en 35 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.

2.2.2.    Verweerder heeft aan de gestelde nadere eis het volgende ten grond gelegd. In juni 2004 is naar aanleiding van een klacht van een bewoner van een nabijgelegen woning gebleken, dat het in werking zijn van de inrichting een overschrijding van enkele decibellen van de ingevolge voorschrift 1.1.1. van bijlage 2 geldende geluidgrenswaarde in de nachtperiode tot gevolg heeft. Vervolgens heeft verweerder onderzoek gedaan naar het ter plaatse geldende achtergrondgeluidniveau. Volgens het verweerder blijkt uit het onderzoek dat het achtergrondgeluidniveau in de omgeving van de inrichting in de dagperiode ongeveer 38 dB(A), in de avondperiode ongeveer 37 dB(A) en in de nachtperiode ongeveer 32 dB(A) bedraagt. Gelet hierop is het volgens verweerder in het belang van de bescherming van het milieu nodig om geluidgrenswaarden te stellen die strenger zijn dan de in het Besluit glastuinbouw vastgelegde grenswaarden. Verweerder heeft aangegeven dat hij bezig is de referentieniveaus in de gemeente te bepalen en dat hij op basis daarvan gebiedsgericht beleid gaat vaststellen. Het onderhavige besluit is evenwel genomen omdat werd geklaagd over geluidhinder.

2.2.3.    Verzoeker heeft de wijze waarop verweerder geluidmetingen heeft uitgevoerd, betwist. In dat verband heeft hij gewezen op het tegenonderzoek van door hem ingeschakelde deskundigen. Verder stelt verzoeker dat gezien het grote aantal tuinbouwbedrijven in de omgeving en de inrichting van de omgeving voor dit bedrijven terughoudend dient te worden omgegaan met het stellen strengere eisen dan de in het Besluit glastuinbouw gestelde eisen. Verder heeft verzoeker betoogd dat zijn bedrijf een samenvoeging is van drie bedrijven en dat juist in verband hiermee het door de bedrijfsactiviteiten veroorzaakte geluidniveau is afgenomen.

2.2.4.    De Voorzitter stelt vast dat ter zitting is gebleken dat de thans niet ter beoordeling staande, voorgenomen gebiedsgerichte aanpak van verweerder om mede afhankelijk van het achtergrondgeluidniveau andere grenswaarden te stellen dan de in de het Besluit glastuinbouw opgenomen geluidgrenswaarden nog niet wordt toegepast. Verder is gebleken dat er geen andere gevallen zijn, waarin zoals in casu strengere geluidgrenswaarden dan de in het Besluit glastuinbouw opgenomen geluidgrenswaarden, zijn vastgesteld. Voor zover verweerder heeft betoogd dat de overtreding van de vigerende norm uit het Besluit glastuinbouw de aanleiding is geweest en dat de onderhavige situatie daarin verschilt van andere gevallen, overweegt de Voorzitter dat het in de rede lag dat verweerder de geldende norm zou handhaven alvorens eventueel over te gaan tot een strengere normstelling. Daartoe zijn evenwel geen concrete maatregelen genomen. Voor zover het gaat om het gaat om de beoordeling van het achtergrondgeluidniveau in de omgeving overweegt de Voorzitter, dat gezien de geschilpunten over de methodiek van de geluidmetingen en de interpretaties van gegevens de onderhavige procedure zich niet leent voor een uitputtend onderzoek te dien aanzien. Verder is naar het oordeel van de Voorzitter onvoldoende zeker dat verzoeker aan de gestelde nadere eis kan voldoen.

2.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 3 oktober 2006, kenmerk JS/96335;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 994,00 (zegge: negenhondervierennegentig euro), waarvan een gedeelte groot € 664,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Westland aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Westland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll               w.g. Melse

Voorzitter             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2006

191