Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200605640/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal (hierna: het college) appellanten vergunning verleend voor het kappen van vier Oostenrijkse dennen op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605640/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. VEROR 05/2884 van de rechtbank Alkmaar van 30 juni 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal (hierna: het college) appellanten vergunning verleend voor het kappen van vier Oostenrijkse dennen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 8 augustus 2005 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar in zoverre gegrond verklaard, dat appellanten alsnog vergunning wordt geweigerd voor het kappen van drie bomen en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 30 juni 2006, verzonden op 6 juli 2006, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 31 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 augustus 2006 heeft [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 29 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 6 september 2006 hebben appellanten een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. W. Kattouw, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.P. Heilig en jhr. O.E.L.M. van Nispen tot Pannerden, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4.5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Bloemendaal 2004 (hierna: APV), voor zover thans van belang, wordt onder houtopstand hakhout, een houtwal of een of meer bomen verstaan.

   Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

   Ingevolge artikel 4.5.3a kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

a.     de natuurwaarde van de te kappen houtopstand;

b.     de landschappelijke waarde ervan;

c.     de waarde ervan voor stads- en dorpsschoon;

d.     de beeldbepalende waarde ervan;

e.     de cultuurhistorische waarde ervan;

f.     de waarde voor de leefbaarheid ervan;

g.     de waarde ervan voor recreatie en leefbaarheid.

2.2.    De rechtbank heeft het besluit van 8 augustus 2005 vernietigd, omdat volgens haar daarin onvoldoende is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, nu niet begrijpelijk is gemotiveerd dat drie van de vier bomen van waarde zijn voor het stads- en dorpsschoon en de vitaliteit ervan niet zodanig is afgenomen, dat de verlening van de kapvergunning daardoor wordt gerechtvaardigd.

   Zij heeft de rechtsgevolgen van dit besluit echter in stand gelaten, omdat ter zitting is gebleken dat dat besluit wel is gebaseerd op het oordeel van de deskundige of deskundigen van de gemeente en daarmee alsnog inzichtelijk is gemaakt hoe het tot stand is gekomen en met de aldus gegeven nadere toelichting aannemelijk is gemaakt dat de drie bomen van waarde zijn voor het stads- en dorpsschoon en geen direct gevaar opleveren.

2.3.    Appellanten klagen dat de rechtbank hen aldus onevenredig in hun belangen heeft geschaad, omdat zij daardoor niet meer in de gelegenheid zijn gesteld om met een deskundigenrapport aan te tonen dat de vitaliteit van de bomen zodanig is afgenomen, dat de gevraagde kapvergunning verleend moest worden.

2.4.    Dat betoog faalt. Nu bij de beslissing op bezwaar en overeenkomstig het advies van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften de eerder verleende kapvergunning alsnog voor drie bomen is geweigerd, omdat deze van waarde worden geacht voor het stads- en dorpsschoon en in de vitaliteit van de bomen geen grond is gelegen het kappen ervan toe te staan, was het beroep bij de rechtbank het moment om desgewenst een deskundigenrapport over te leggen, teneinde het tegendeel aannemelijk te maken. Anders dan appellanten in dit verband betogen, mochten zij er niet op vertrouwen dat de aan hen verleende kapvergunning in bezwaar in stand zou blijven.

2.5.    Appellanten klagen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het college de waarde van de bomen voor het stads- en dorpsschoon aannemelijk heeft gemaakt, heeft miskend dat de ambtenaar van de gemeente niet deskundig genoeg is om dat te beoordelen. Ten slotte betogen zij dat de rechtbank heeft miskend dat geen juiste belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.6.    Ook deze betogen falen. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om de deskundigheid van de gemeenteambtenaar - werkzaam bij de Afdeling Groenvoorziening van de gemeente - in het bijzonder betreffende de beoordeling van de waarde van de bomen voor het stads- en dorpsschoon in twijfel te trekken, mede gezien de in zoverre niet bestreden verklaring van het college dat de medewerkers van die afdeling daartoe over voldoende opleiding en ervaring beschikken. Zij heeft in het in beroep aangevoerde dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de drie bomen, waarvoor tenslotte kapvergunning is geweigerd, niet in redelijkheid van waarde heeft kunnen achten voor het stads- en dorpsschoon en evenmin voor het oordeel dat het niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.H.B. van der Meer, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb             w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

47-515.