Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200603802/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft appellant zijn besluit van 20 juli 2005 inzake de aan [wederpartij] toegekende huursubsidie over de periode 1 juli 2005 - 1 januari 2006 herzien en op nihil gesteld en is, gelet op de reeds aan [wederpartij] uitbetaalde huursubsidie, een bedrag van € 956,80 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603802/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no's AWB 06/1137 en 06/1138 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft appellant zijn besluit van 20 juli 2005 inzake de aan [wederpartij] toegekende huursubsidie over de periode 1 juli 2005 - 1 januari 2006 herzien en op nihil gesteld en is, gelet op de reeds aan [wederpartij] uitbetaalde huursubsidie, een bedrag van € 956,80 teruggevorderd.

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 juli 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te

Den Haag, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H.M. Brink, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Hsw) wordt huursubsidie slechts toegekend als de huurder vreemdeling is en rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

   Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Hsw, kan appellant de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet.

   Ingevolge het derde lid van dat artikel, voor zover hier van belang, kan de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd.

   Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-verdrag) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 verschaft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met h, en j tot en met l, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.    

2.2.    Appellant heeft bij het bestreden besluit op bezwaar het herzieningsbesluit op grond van de verblijfsstatus van [wederpartij] gehandhaafd. Ter motivering van dit besluit heeft appellant gesteld dat [wederpartij] op grond van haar Britse nationaliteit een gemeenschapsonderdaan is. Nu [wederpartij] echter op de peildatum van 1 juli 2005 (hierna: de peildatum) niet beschikte over een geldige verblijfkaart, kon appellant niet vaststellen of zij op dat moment rechtmatig verblijf hield in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij zich niet zelf een oordeel kan vormen over de vraag of [wederpartij] rechtmatig verblijf houdt, omdat dat oordeel is voorbehouden aan de Minister voor Vreemdelingzaken en Integratie. Appellant is daarom tot de conclusie gekomen dat [wederpartij], gelet op haar verblijfsrechtelijke status, niet voldoet aan het bepaalde in artikel 10 van de Hsw en derhalve niet in aanmerking komt voor huursubsidie.

2.3.    Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant  het besluit op bezwaar heeft mogen baseren op de omstandigheid dat [wederpartij] op de peildatum niet beschikte over een geldig verblijfsdocument.

2.4.    De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt zij als volgt.

   Naar appellant ook heeft erkend, ontstaat het recht op verblijf op grond van het EG-verdrag en de daaruit voortvloeiende Verordeningen en Richtlijnen niet door de afgifte van een verblijfsdocument, maar wordt het daaraan rechtstreeks ontleend, onafhankelijk van de afgifte door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van dit specifieke document, dat slechts het bestaan van dit recht bevestigt. Het verblijfsdocument heeft voor de erkenning van dat verblijfsrecht slechts declaratoire waarde. Nu [wederpartij] steeds gemotiveerd heeft aangevoerd dat zij op de peildatum haar verblijfsrecht rechtstreeks aan het EG-verdrag en de daaruit voortvloeiende Verordeningen en Richtlijnen ontleende, mocht appellant bij de beoordeling van het bezwaar tegen het herzieningsbesluit niet volstaan met de constatering dat hij bij gebreke van een verblijfsdocument niet de juistheid daarvan kan vaststellen maar had hij dit nader dienen te onderzoeken.

   Onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 augustus 2006, 200509701/1, AB 2006, 304, is de Afdeling, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat appellant zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet hij maar de Minister voor Vreemdelingzaken en Integratie de aangewezen instantie is om na te gaan of en in hoeverre [wederpartij] uit hoofde van een zodanig verblijfsrecht rechtmatig in Nederland verblijft. Het had, onder de gegeven omstandigheden, evenwel op de weg van appellant gelegen om, aan de hand van de door [wederpartij] verstrekte en zonodig alsnog te verstrekken informatie, inlichtingen in te winnen bij de Minister voor Vreemdelingzaken en Integratie over de mate waarin er rekening mee moet worden gehouden dat [wederpartij] ook op de peildatum haar rechtmatig verblijf ontleende aan het EG-verdrag en daarop gebaseerde regelingen.

   De voorzieningenrechter heeft het besluit op bezwaar derhalve terecht wegens strijd met de artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd. Appellant dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6.    Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt appellant tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro) welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink          w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

71-536.