Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200509842/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerder aan appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor haar inrichting voor de opslag en de verwerking van kunststoffen ten behoeve van de voedingsmiddelenindustrie, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Bij dit besluit is de gevraagde vergunning geweigerd voor zover het betreft transportbewegingen tussen 19.00 en 07.00 uur. Het besluit is op 27 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/5412
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509842/1

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerder aan appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor haar inrichting voor de opslag en de verwerking van kunststoffen ten behoeve van de voedingsmiddelenindustrie, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Bij dit besluit is de gevraagde vergunning geweigerd voor zover het betreft transportbewegingen tussen 19.00 en 07.00 uur. Het besluit is op 27 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en [technisch directeur] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C. Niessen-Kruiswijk, W. Eydenberg, P. de Wijs en A. Zandbergen, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord, [partijen].

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    De aanvraag om een revisievergunning betreft onder andere zes vrachtwagenbewegingen in de nachtperiode (tussen 23.00 en 7.00 uur).

2.3.1.    In voorschrift 7.1.3 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het maximale geluidniveau (Lmax) in de nachtperiode op 5 meter hoogte niet meer dan 50 dB(A) mag bedragen.

   In voorschrift 7.2.2 is bepaald dat binnen de inrichting tussen 19.00 en 7.00 uur geen vrachtwagenbewegingen mogen plaatsvinden.

2.3.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat, indien de voor de nachtperiode aangevraagde zes vrachtwagenbewegingen als zodanig worden vergund, het maximale geluidniveau in de nachtperiode tussen de 50 en 60 dB(A) bedraagt.

2.3.3.    Appellante betoogt dat de voorschriften 7.1.3 en 7.2.2 ten onrechte aan de vergunning zijn verbonden. Zij voert hierbij aan dat de zes door haar aangevraagde vrachtwagenbewegingen gelet op spoedbestellingen onmisbaar zijn voor haar bedrijfsvoering. Daarnaast is appellante van mening dat een Lmax van 60 dB(A) in de nachtperiode, zowel uitgaande van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) als uitgaande van de jurisprudentie van de Afdeling, als algemeen aanvaardbaar wordt geacht.

2.3.4.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag om vergunning, wat de geluidhinder vanwege de inrichting betreft, hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en hoofdstuk 4 van de Handreiking gehanteerd. In paragraaf 3.2 van de Handreiking wordt aanbevolen om te streven naar het voorkomen van maximale geluidniveaus die meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige equivalente geluidniveau uitkomen. Verweerder stelt dat van omstandigheden die een hogere geluidbelasting zouden rechtvaardigen niet is gebleken. Het argument van appellante dat de nachtelijke bewegingen noodzakelijk zijn om spoedbestellingen tijdig bij de klanten te krijgen wordt volgens verweerder alleen onderbouwd met enkele bestellingen uit de zeer drukke kersttijd. Verweerder is niet overtuigd dat er geen organisatorische mogelijkheden zijn om de spoedbestellingen op zodanige wijze te verwerken dat de vrachtwagenbewegingen in de avond- en nachtperiode niet nodig zijn, mede in aanmerking genomen dat sprake is van een vorm van samenwerking tussen de onderhavige inrichting en de vestiging van appellante aan de Schellingweg/Daalderweg te Zaandam. Op grond van het voorgaande is verweerder tot de conclusie gekomen, dat geen sprake is van een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken.

2.3.5.    De Afdeling stelt vast dat de grenswaarde voor het piekgeluid in de nachtperiode 10 dB(A) hoger ligt dan de grenswaarde van 40 dB(A) voor het equivalente geluidniveau in die periode. Dit komt overeen met de in de Handreiking aanbevolen streefwaarde voor piekgeluiden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de bestreden voorschriften zodanige beperkingen voor de aangevraagde bedrijfsvoering met zich brengen, dat deze impliciet is geweigerd. Verder heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet is uitgegaan van de hogere geluidgrenswaarde voor de nachtperiode van 60 dB(A) die volgens de Handreiking onder omstandigheden nog als aanvaardbaar kan worden aangemerkt.

   Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat verweerder met het aan de vergunning verbinden van voorschrift 7.1.3 inzake het Lmax in de nachtperiode en voorschrift 7.2.2 voor zover het de nachtperiode betreft, een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de Handreiking dan wel dat hij daarbij de grenzen van de hem ingevolge de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

2.4.    Het beroep is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

43-518