Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200604708/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2006 heeft verweerder nadere eisen, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), gesteld met betrekking tot de door appellante gedreven inrichting op het perceel Brink 47 te Ruinen. Dit besluit is op 1 juni 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604708/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Café Brinkzicht B.V.", gevestigd te Ruinen, gemeente De Wolden,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van De Wolden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2006 heeft verweerder nadere eisen, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), gesteld met betrekking tot de door appellante gedreven inrichting op het perceel Brink 47 te Ruinen. Dit besluit is op 1 juni 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. K.F. de Ruijter-Thijssen en ir. K. Mensinga, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Eerst ter zitting heeft appellante betoogd dat voor de achterzaal en het café afzonderlijk sluitingstijden moeten worden gesteld. In dit stadium van de procedure is dit, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze grond daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.2.    Verweerder heeft het bestreden besluit voorbereid met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure.

2.3.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

   Appellante heeft geen zienswijzen naar voren gebracht. Voor zover het de grond inzake de sluitingstijden betreft, kan dit haar redelijkerwijs niet worden verweten, nu het definitieve besluit op dit punt is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. Voor zover het de grond inzake de verplichting tot het houden van toezicht betreft, is van een zodanige wijziging geen sprake. Voorts is uit de stukken gebleken, anders dan appellante heeft betoogd, dat is voldaan aan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen eisen voor de terinzagelegging en kennisgeving van het ontwerpbesluit. Nu niet is gebleken dat appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de hierop betrekking hebbende beroepsgrond niet-ontvankelijk.

2.4.    Appellante betoogt dat bij de nadere eisen ten onrechte voor de inrichting sluitingstijden zijn vastgesteld. Volgens haar ontbreekt hiervoor een wettelijke basis en is het opleggen van sluitingstijden niet noodzakelijk voor het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder.

2.5.    De Voorzitter heeft bij uitspraak van 29 augustus 2006, no. 200604708/2, in het kader van het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van het thans bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, gemotiveerd aangegeven dat verweerder de sluitingstijden in redelijkheid heeft kunnen opleggen en hiertoe ook bevoegd was. De Afdeling ziet, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding om thans een ander standpunt in te nemen en verwijst voor de motivering van dat standpunt naar genoemde uitspraak.

2.6.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de verplichting tot het houden van toezicht betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen            w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

312