Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200603865/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de gemeenteraad van Barneveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 november 2005, het bestemmingsplan "Gedeeltelijke herziening Valkseweg/Walhuisweg van het bestemmingsplan Buitengebied 2000" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603865/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de gemeenteraad van Barneveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 november 2005, het bestemmingsplan "Gedeeltelijke herziening Valkseweg/Walhuisweg van het bestemmingsplan Buitengebied 2000" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 maart 2006, kenmerk

2006-000769, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 22 augustus 2006 medegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ingekomen van de gemeenteraad van Barneveld. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2006, waar appellant, in persoon, en bijgestaan door mr. T.A. Timmermans, advocaat te Rhenen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. V.C.E. Wattenberg, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Barneveld, vertegenwoordigd door drs. J.D. Wessels, ambtenaar van de gemeente, daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het plan voorziet in een planologisch kader om de verplaatsing van het automobielbedrijf van appellant van het perceel aan de [locatie 1] in [plaats] naar het perceel aan de [locatie 2] in [plaats] mogelijk te maken. Beide percelen zijn gelegen in het buitengebied van de gemeente Barneveld waarvoor het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" geldt.

Het standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder heeft het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft goedkeuring onthouden aan het plan. Hij stelt zich op het standpunt dat de vestiging van het automobielbedrijf op het perceel aan de [locatie 2] een functieverandering als bedoeld in het streekplan "Gelderland 2005" (hierna: het streekplan) inhoudt. Uit het streekplan komt naar voren dat bij een functieverandering de maximale oppervlakte voor niet-agrarische bedrijvigheid 500 m² mag bedragen, terwijl het plan een groter bebouwingsoppervlak toelaat, aldus verweerder.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Hij voert hiertoe aan dat er geen sprake is van een functieverandering in de zin van het streekplan, aangezien niet de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" op het perceel aan de [locatie 2] verandert, maar slechts de aanduiding die op het perceel rust wijzigt. Verder stelt appellant dat per saldo geen of nauwelijks uitbreiding van de bebouwing zal plaatsvinden, maar een concentratie van bedrijfsgebouwen op één perceel. Per saldo wordt de oppervlakte van de gronden met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" evenmin uitgebreid, aldus appellant.

Tenslotte stelt hij dat met het plan wordt beoogd op het perceel aan de [locatie 2] bedrijfactiviteiten tot ten hoogste milieucategorie twee uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) mogelijk te maken, terwijl de activiteiten van het transportbedrijf onder milieucategorie vier vallen.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Op het perceel aan de [locatie 2] rustte de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "Btr transportbedrijf" en de bestemming "Agrarisch gebied I". Voorheen was een transportbedrijf gevestigd op het perceel, hetgeen een bedrijf met milieucategorie vier van de VNG-brochure is. De totaal toegestane bebouwde oppervlakte bedroeg

443 m².

Door het plan wordt de aanduiding binnen de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" op het perceel gewijzigd in "Bau automobielbedrijf" en krijgt een deel van het perceel de bestemming "Bos met meervoudige doelstelling". De bestemming "Agrarisch gebied I" verdwijnt van het perceel. Het onderhavige plan maakt een maximaal bebouwde oppervlakte mogelijk van 594 m².

In de onmiddellijke nabijheid van het perceel [locatie 2] zijn meerdere bedrijven gevestigd.

2.5.2.    Het automobielbedrijf is thans gevestigd op het perceel [locatie 1]. Aan het perceel zijn de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "Bau automobielbedrijf" en "Wonen met agrarische activiteiten WA" met de aanduiding "-w geen woning toegestaan" toegekend. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het onderhouden en verkopen van auto's en vallen onder de milieucategorie twee van de VNG-brochure. Op het perceel is een maximaal bebouwde oppervlakte toegestaan van 198 m². Het bedrijf heeft echter een grotere oppervlakte nodig en gebruikt tevens een gedeelte van de gronden met de bestemming "Wonen met agrarische activiteiten WA" voor het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten.

Het onderhavige plan wijzigt de bestemming van de gronden op het perceel aan de [locatie 1] in de bestemmingen "Wonen met agrarische activiteiten WA" en "Agrarisch gebied I". Op het perceel zal een gedeelte van de bestaande bebouwing worden gesloopt.

2.5.3.    In het streekplan is onder meer het volgende bepaald:    

2.1.4

"Voor uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied geld een maximum van 20% van het bebouwd oppervlak per planperiode tot maximaal 375 m².

(…)

2.3.2    Verevening

Functieverandering van gebouwen in het buitengebied moet bijdragen aan een impuls voor de leefbaarheid, vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.

(…)

Uitgangspunt is dat er door de initiatiefnemer voor de functieverandering wordt bijgedragen aan de verbetering van de omgevingskwaliteit en publieke functies van het buitengebied, gerelateerd aan de locatie waar functieverandering aan de orde is.

(…)

2.3.3    Algemene voorwaarden

Voor functieveranderingen waarbij nieuwe wooneenheden worden gecreëerd of nieuwe bedrijfsactiviteiten worden opgezet gelden de volgende algemene voorwaarden:

(…)

* de functieverandering van gebouwen wordt geëffectueerd door bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel en verkleining van het bouwvlak;

(…)

2.3.5    Functieverandering naar werken of woon-werkcombinaties

(…)

Daarom wordt voor niet-agrarische bedrijvigheid een maximum gehanteerd van 500 m² vloeroppervlak per locatie.

(…)

Bij deze functieverandering gelden de algemene randvoorwaarden van par. 2.3.3. Daarnaast geldt dat er geen detailhandel mogelijk is (behalve van op het bedrijf zelf gemaakte producten), dat er geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking optreedt en dat buitenopslag niet is toegestaan.

(…)

2.3.6    Regionale beleidsinvulling

Van de in paragrafen 2.1.4 (…) en 2.3.5 gehanteerde maatvoering kan worden afgeweken, mits passend in een door Gedeputeerde Staten geaccordeerde regionale beleidsinvulling voor functieverandering. De regionale beleidsinvulling zal na definitieve en unanieme vaststelling door alle gemeenten in de regio en na accordering door Gedeputeerde Staten door middel van een afwijkingsprocedure in de plaats treden van het in dit streekplan verwoorde generieke beleid voor functieverandering in de betreffende regio.

(…)

2.3.7    Maatwerk voor bijzondere situaties

(…)

Saldering is ook mogelijk voor kleinere functieveranderingen die in hun samenhang bezien worden. In die zin dat vervangende nieuwbouw op andere locaties dan het vrijgekomen bouwperceel waar de sloop plaatsvindt mogelijk is, mits de gemeente vanuit een visie op haar buitengebied meerdere initiatieven voor functieverandering in samenhang beoordeelt. Voorwaarde zijn dat het schuiven van bouwlocaties een meerwaarde voor de gebiedskwaliteiten oplevert en gelijktijdig planologisch geregeld wordt."

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het onderhavige plan een functieverandering in de zin van het streekplan inhoudt. In paragraaf 2.3.3 van het streekplan staat dat functieverandering van gebouwen wordt geëffectueerd door bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel. In dit geval wijzigt de bestemming op het perceel aan de [locatie 2] niet. De bestemming blijft "Niet-agrarische bedrijven", slechts de aanduiding op het perceel wijzigt van "Btr transportbedrijf" naar "Bau automobielbedrijf". Gelet hierop acht de Afdeling zonder nadere motivering daaromtrent van verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom desalniettemin sprake zou zijn van een functieverandering als bedoeld in het streekplan.

2.7.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.8.    Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

Ter zitting is gebleken dat de gemeenten binnen de regio Vallei, waartoe ook de gemeente Barneveld behoort, een regionale beleidsinvulling als bedoeld in paragraaf 2.3.6 van het streekplan hebben vastgesteld en deze hebben aangeboden aan verweerder voor accordering. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat deze regionale beleidsinvulling zal worden goedgekeurd, naar verwachting in februari 2007. Uit het streekplan blijkt dat deze regionale beleidsinvulling na accordering door verweerder in de plaats treedt van het in dit streekplan verwoorde generieke beleid in de betreffende regio. Verweerder heeft ter zitting tevens uitdrukkelijk aangegeven dat het onderhavige plan past binnen voornoemde regionale beleidsinvulling.

Proceskosten

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 maart 2006, kenmerk 2006-000769;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 662,67 (zegge: zeshonderdtweeënzestig euro en zevenenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto                          w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

280-533.