Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4826

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200605039/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een loonwerkbedrijf op het adres [locatie] te [plaats], gemeente Horst aan de Maas. Dit besluit is op 13 juni 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007/380 met annotatie van M.P. Jongma
M en R 2007, 41 met annotatie van K.J. de Graaf
Milieurecht Totaal 2006/4287
ABkort 2007/16
JM 2007/22 met annotatie van Zigenhorn
JOM 2007/45
OGR-Updates.nl 1001295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605039/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Horst aan de Maas,

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een loonwerkbedrijf op het adres [locatie] te [plaats], gemeente Horst aan de Maas. Dit besluit is op 13 juni 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door drs. L.J.M. Selen en P.L.M. Reuten, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 23 september 2003 heeft verweerder een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de inrichting. Bij het bestreden besluit is de vergunde capaciteit voor de opslag van landbouwfolie, tuinbouwloof, takken, grond en zand ten opzichte van de revisievergunning uitgebreid.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

   Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

   In het vierde lid is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

a.  moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.3.    Appellanten vrezen voor geurhinder ten gevolge van de opslag van loofafval. Allereerst voeren zij aan dat op grond van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan voorschrift 1.1, tweede volzin, een controlevoorschrift had moeten worden verbonden.

   Daarnaast stellen appellanten zich op het standpunt dat voorschrift 1.3 onvoldoende bescherming biedt tegen geuroverlast, omdat niet is uitgesloten dat rottend loofafval wordt aangevoerd dat binnen minder dan vijf dagen reeds geuroverlast veroorzaakt.

   Appellanten betogen voorts dat de voorschriften 1.3 en 1.4 niet handhaafbaar zijn, omdat de partijen loofafval niet altijd gescheiden van elkaar zullen worden opgeslagen.

2.3.1.    Ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder heeft verweerder voorschriften aan de vergunning verbonden.

   Ingevolge voorschrift 1.1 moet het bewaren en het afvoeren van afvalstoffen op ordelijke en nette wijze geschieden. Van afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.

   Ingevolge voorschrift 1.3 dient het loofafval binnen vijf dagen na ontvangst van de respectievelijke partij loofafval uit de inrichting te zijn verwijderd.

   Ingevolge voorschrift 1.4 dient in een logboek een registratie te worden bijgehouden met betrekking tot het loofafval. In het logboek dienen in ieder geval de volgende aspecten te worden bijgehouden:

1. de datum van de dag waarop een partij loofafval de inrichting wordt binnengebracht;

2. de datum van de dag waarop diezelfde partij loofafval uit de inrichting wordt afgevoerd.

2.3.2.    Volgens verweerder vloeit uit artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, mede gelet op de Memorie van Toelichting, voort dat het bevoegd gezag een afweging kan maken bij de beantwoording van de vraag of aan doelvoorschriften in de vergunning controlevoorschriften moeten worden verbonden. Verweerder heeft ervan afgezien om met betrekking tot voorschrift 1.1 een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden, omdat geur volgens hem een subjectief karakter heeft en het daarom niet zinvol is vergunninghoudster monitoring voor dit aspect te laten uitvoeren. In plaats daarvan heeft verweerder de voorschriften 1.3 en 1.4 aan de vergunning verbonden.

   Verweerder stelt dat het rottingsproces van het loofafval binnen de in voorschrift 1.3 vermelde termijn van vijf dagen nog niet zo ver tot ontwikkeling is gekomen dat zich geuroverlast kan voordoen. Indien rottend loofafval in de inrichting wordt binnengebracht, biedt voorschrift 1.1 volgens verweerder een voldoende waarborg tegen geuroverlast.

2.3.3.    De Afdeling overweegt dat voorschrift 1.1, tweede volzin, kan worden aangemerkt als een doelvoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Hierbij neemt zij mede in aanmerking dat verweerder met voorschrift 1.1, tweede volzin, heeft beoogd een norm te stellen die onder omstandigheden een aanvullende werking heeft ten opzichte van het bepaalde in voorschrift 1.3.

   Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat, voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Anders dan verweerder heeft betoogd, bestaat hierbij geen ruimte voor een afweging door het bevoegd gezag. De Afdeling leidt uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2003/04, 29 711, nr. 3, blz. 24) af dat met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer een verduidelijking en explicitering is beoogd van het bepaalde in artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot artikel 8.12, derde lid (oud), van de Wet milieubeheer (onder meer de uitspraak van 24 maart 2004, no. 200304128/1) volgt dat op grond van die bepaling aan de vergunning, voor zover daaraan doelvoorschriften zijn verbonden, tevens controlevoorschriften moeten worden verbonden, waarbij voor de bepaling of aan een doelvoorschrift wordt voldaan overigens veelal met een eenmalige controlemeting kan worden volstaan.

   Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder een voorschrift aan de vergunning had moeten verbinden, inhoudende dat op een daarbij aan te geven wijze moet worden bepaald of aan voorschrift 1.1, tweede volzin, wordt voldaan. Nu dit is nagelaten is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

2.3.4.    De Afdeling acht het aannemelijk dat het rottingsproces van vers loofafval pas na meer dan vijf dagen zo ver is gevorderd, dat buiten de inrichting geur kan worden waargenomen. Tevens is aannemelijk dat wanneer rottend loofafval de inrichting wordt binnengebracht, reeds binnen minder dan vijf dagen geur kan worden waargenomen. De Afdeling overweegt evenwel dat in voorschrift 1.1, tweede volzin, is bepaald dat zich geen van afvalstoffen afkomstige geur buiten de inrichting mag verspreiden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorschriften 1.3 en 1.1, in hun onderlinge samenhang bezien, toereikend zijn ter bescherming tegen geurhinder vanwege de inrichting. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.3.5.    Ten aanzien van de handhaafbaarheid van de voorschriften 1.3 en 1.4 overweegt de Afdeling als volgt. Indien partijen loofafval met verschillende data van binnenkomst worden vermengd, brengt voorschrift 1.3 naar het oordeel van de Afdeling mee dat de gehele partij dient te worden afgevoerd zodra de langst aanwezige fractie vijf dagen aanwezig is. Eventuele vermenging van partijen loofafval - waarvan overigens niet is gebleken - betekent niet dat voorschrift 1.4 inzake de registratie van de datum van aan- en afvoer van het loofafval niet kan worden gehandhaafd.

   Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorschriften 1.3 en 1.4 niet kunnen worden gehandhaafd. Deze beroepsgrond faalt.                                                                          

2.3.6.    Voor zover appellanten vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd en voor zover zij stellen dat in het verleden voorschriften niet zijn nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de thans ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen.

2.4.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daaraan ten aanzien van voorschrift 1.1, tweede volzin, geen controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer is verbonden. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas van 6 juni 2006, voor zover daaraan ten aanzien van voorschrift 1.1, tweede volzin, geen controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer is verbonden;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Horst aan de Maas aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Horst aan de Maas aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll       w.g. Van der Maesen de Sombreff

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

190-483.