Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4819

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200604230/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) het verzoek van appellant om een toevoeging rechtsbijstand afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/53
JB 2007/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604230/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/ 3116 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) het verzoek van appellant om een toevoeging rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2005 heeft de raad het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2006, verzonden op 26 april 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2006, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. R.B. van Dijken, werkzaam bij de raad, is verschenen. Appellant is niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat ten minste de gronden van het bezwaar of beroep.

   Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2.    De raad heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet tijdig de gronden van zijn bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2005 heeft ingediend. De raad heeft daartoe overwogen dat deze gronden uiterlijk 6 juli 2005 ontvangen hadden moeten zijn en dat, hoewel appellant ze bij faxbericht van 22:57 uur op diezelfde dag aan de Commissie voor bezwaar en beroep (hierna: de Commissie) heeft toegezonden, dit is geschied op een tijdstip ver buiten de kantoortijden, zodat appellant er derhalve niet op mocht of kon vertrouwen dat de gronden van zijn bezwaar tijdig zijn ontvangen en mitsdien aan het verzoek het verzuim te herstellen niet is voldaan.

   De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, omdat de door de raad gestelde termijn van twee weken na de verzending van de brief op 22 juni 2005 eindigde op 5 juli 2005 en het verzuim niet binnen die termijn hersteld is nu de gronden van het bezwaar pas op 6 juli 2005 zijn binnengekomen.

2.3.    Appellant keert zich tegen dit oordeel van de rechtbank. Volgens appellant eindigde de hem bij de op 22 juni 2005 verzonden brief gegeven termijn van twee weken voor het toezenden van de gronden van het bezwaar op 6 juli 2005. Voorts betoogt appellant dat hij zich aan de gestelde termijn heeft gehouden omdat de gronden van zijn bezwaar op diezelfde dag zijn verzonden naar en binnengekomen bij de raad.

2.4.    Bij brief van 20 juni 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van de raad van 9 mei 2005. Bij brief van 22 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de secretaris van de Commissie appellant verzocht de gronden van het bezwaar binnen twee weken na verzending van die brief toe te sturen. Daarbij heeft hij medegedeeld dat indien de gronden niet tijdig worden ingediend, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Gelet op de datum van verzending van deze maningsbrief had appellant tot en met 6 juli 2005 de gelegenheid om aan deze verplichting te voldoen. Het oordeel van de rechtbank dat de termijn tot en met 5 juli 2005 liep, is onjuist.

   Zoals de Afdeling eerder, bij uitspraak van 17 april 1998, no. E03.96.1161 (JM 1999/43) heeft overwogen, geldt een per fax verzonden bezwaarschrift als binnen de termijn ingediend, indien het is begonnen binnen te komen op het faxontvangapparaat van het bestuursorgaan vóór 24.00 uur op de laatste dag van de termijn. Dit geldt evenzeer voor een per fax verzonden brief waarbij de gronden van het bezwaar worden ingediend. Dit is slechts anders indien in de maningsbrief een tijdstip is vermeld waarvoor de gronden van het bezwaar moeten zijn ingediend. Nu appellant op 6 juli 2005 om 22:57 uur een faxbericht met de gronden van zijn bezwaar aan de Commissie heeft toegezonden en in de brief van 22 juni 2005 geen tijdstip als vorenbedoeld is aangegeven, kan de raad onder die omstandigheden niet aan appellant tegenwerpen dat hij de gronden voor bezwaar buiten kantoortijd en derhalve te laat heeft ingediend, zodat aan het verzoek het verzuim te herstellen niet is voldaan. Gelet op het voorgaande heeft appellant het in de brief van 22 juni 2005 genoemde verzuim binnen de hem daartoe gestelde termijn hersteld. De raad heeft dit ten onrechte miskend. Het betoog slaagt derhalve.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2005 van de raad alsnog gegrond verklaren en de bestreden beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 6:6 van de Awb vernietigen.

2.6.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 april 2006 in zaak no. AWB 05/ 3116;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch van 22 augustus 2005;

V.    veroordeelt de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 142,00 (zegge: honderdtweeënveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

209.