Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200602245/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Zutphen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 mei 2005, het bestemmingsplan "Marswegkwartier 1982, 3e herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/4986
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602245/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Zutphen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 mei 2005, het bestemmingsplan "Marswegkwartier 1982, 3e herziening" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 31 januari 2006, nr. 2005-005980, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, gedateerd 26 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen per fax op 23 maart 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen en appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. S.P.M. Schaap en mr. M.A.A. Soppe, advocaten te Enschede, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Zutphen, vertegenwoordigd door mr. A.J. van Zwieten de Blom, advocaat te Zutphen, en ing. H.S. Zuethoff, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan beoogt de aanleg van een fietsverbinding van het centrum van Zutphen naar het Marswegkwartier planologisch mogelijk te maken.

Het standpunt van appellante

2.4.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat het beoogde fietspad haar gronden doorkruist, waardoor de gebruiksmogelijkheden van haar gronden worden beperkt en de locatie minder aantrekkelijk wordt.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.    Appellante is eigenaresse van de kadastrale percelen […], betreffende het adres [locatie] te Zutphen. De op de percelen aanwezige loodsen worden voor opslag verhuurd. Ook de haven wordt verhuurd.

2.8.    Aan een deel van de gronden van appellante is de bestemming "Fietspad, klasse A" toegekend.

2.9.    Ingevolge artikel 10A, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een fietspad met bijbehorende bermen en andere verkeersvoorzieningen.

2.10.    In de plantoelichting staat het volgende:

"Het beoogde fietspad heeft vooral een recreatieve functie. Het loopt vanaf de Tichelerstraat over de kruin van de dijk langs de IJssel naar de hoek van de Havenstraat (nabij de Oude IJsselbrug), voert langs uiterwaarden en langs twee havens en voegt daaraan een meerwaarde toe.

Het fietspad biedt een directe aansluiting op een Europese fietsroute langs Hanzesteden. Deze route bereikt vanuit het zuiden de IJsselkade en buigt via het Stationsplein af in de richting van Eefde, waar het langs het Twentekanaal loopt en vervolgens weer de IJssel op zoekt, richting Deventer.

De Europese route biedt de mogelijkheid om van het Duitse Wesel naar het Nederlandse Kampen te fietsen, langs de IJssel en de Rijn en daarbij een toeristisch uitstapje naar een of meer van de Hanzesteden te maken. Het betreft een project, waarbij aan verscheidene doelen van Europees beleid wordt bijgedragen. Naast toeristisch-recreatieve doelen, gaat het om milieu (stimuleren van het fietsgebruik dringt het autogebruik terug) en het verkeer (de fietsroute is nagenoeg autovrij).

De realisatie van het onderhavige fietspad maakt tevens een betere ontsluiting naar de Houthaven mogelijk. Op die plek is de Stichting Hanzehaven een "museumhaven" aan het ontwikkelen. Waar vroeger hout uit schepen werd geladen, liggen nu zeven historische bedrijfsvaartuigen aangemeerd. Op die boten wonen mensen, maar het is vooral een toeristische attractie aan het worden".

2.11.    In de reactie van het college van burgemeester en wethouders van 20 juli 2006 staat dat door de fietsverbinding de langs de IJssel gelegen havens met de daar gelegen recreatieve functies beter worden ontsloten voor langzaam verkeer. Deze ecologische en recreatieve zone ligt aan de westelijke rand van het industrieterrein De Mars. Op dit moment moeten fietsers voor deze bestemmingen niet alleen een langere route volgen, ook moeten zij gebruik maken van wegen waar intensief met zwaar vrachtverkeer wordt gereden. Ook de bewoners van het Marswegkwartier wordt een kortere en veiligere voorziening voor de fiets geboden, aldus de reactie van het college van burgemeester en wethouders.

2.12.    In de paragraaf uit de plantoelichting die betrekking heeft op de financiële uitvoerbaarheid staat:

"De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van de voorjaarsnota 2004 in het Investeringsprogramma voor 2008 de aanleg van het fietspad over de IJsseldijk opgenomen. De totale kosten voor de aanleg, inclusief aankoop bedragen € 390.000,00. In het Investeringsprogramma is een bedrag van € 351.000,00 gereserveerd. Het recreatieschap is bereid om minimaal € 39.000,00 bij te dragen in de kosten.

Verreweg het grootste deel van de IJsseldijk is in handen van het Waterschap Rijn en IJssel, wat zo zal blijven. Het Waterschap heeft ook meegedeeld onder bepaalde voorwaarden aan de realisering van het fietspad te willen meewerken. Een gering gedeelte zal door de gemeente aangekocht dienen te worden".

Het oordeel van de Afdeling

2.13.    Wat betreft de stelling van appellante dat het plan niet uitvoerbaar is omdat haar gronden nog niet zijn verworven, wordt het volgende overwogen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het gemeentebestuur de gronden van appellante die zijn benodigd voor de realisering van het fietspad door middel van minnelijke verwerving tracht aan te kopen. Indien partijen niet tot overeenstemming komen zal tot onteigening worden overgaan. Gelet op de in overweging 2.12 geciteerde passage uit de plantoelichting bestaat er geen aanleiding te oordelen dat daarvoor geen of onvoldoende middelen beschikbaar zijn. Voorts bestaat geen aanleiding te oordelen dat het gemeentebestuur niet binnen de planperiode tot verwerving zal overgaan.

   Gelet op de onder overweging 2.10 geciteerde passage uit de plantoelichting en de in overweging 2.11 opgenomen reactie van het college van burgemeester en wethouders is aannemelijk dat het fietspad voor recreanten en de bewoners van het Marswegkwartier voorziet in een behoefte. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in het plan voorziene fietspad geen deel zal gaan uitmaken van de Europese fietsroute.

   De invloed van het plan op de gebruiksmogelijkheden van de gronden van appellante zal niet ernstig zijn. Hierbij wordt betrokken dat het beoogde fietspad dicht langs de rivier de IJssel is voorzien en deels is beoogd op gronden die niet aan appellante in eigendom toebehoren. Wat betreft de stelling van appellante dat de aanwezigheid van het fietspad de kans op inbraak vergroot wordt overwogen dat het gemeentebestuur heeft toegezegd bereid te zijn een hekwerk te plaatsen. Het is niet aannemelijk dat dit hekwerk de bedrijfsvoering ernstig kan belemmeren, omdat het hekwerk, zoals is gebleken, kan worden voorzien van een sluitbare opening.

   Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van appellante betreft, bestaat geen aanleiding te oordelen dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gemeenteraad, indachtig de aan hem toekomende vrijheid op dit punt, een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij verwezenlijking van het fietspad dan aan het belang van appellante bij het behoud van de huidige situatie.

2.14.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

280.