Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200603736/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2005 heeft verweerder een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot nutsschool "De Meent" op het perceel Anemonelaan 2 te Waalre afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603736/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalre,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2005 heeft verweerder een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot nutsschool "De Meent" op het perceel Anemonelaan 2 te Waalre afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2006, verzonden op 6 april 2006, heeft verweerder het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2006, beroep ingesteld.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 11 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2006, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door P.J.J.M. van Lierop, ambtenaar van de gemeente, en J.J. van den Borne, werkzaam bij de milieudienst regio Eindhoven, zijn verschenen.

Voorts is nutsschool "De Meent", vertegenwoordigd door [adjunct-directeur], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat verweerder zijn verzoek om handhaving ten onrechte heeft afgewezen. Hij stelt geluidhinder te ondervinden van de nabij zijn woning gelegen nutsschool "De Meent". Hij voert daarbij aan dat verweerder heeft miskend dat het schoolplein aan de achterzijde van de school een binnenterrein als bedoeld in het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer (hierna: het Besluit) is. Daarnaast betwist appellant de geluidmetingen waarbij het referentieniveau van het omgevingsgeluid is onderzocht. De in 2002 door de milieudienst regio Eindhoven uitgevoerde geluidmetingen zijn volgens appellant te oud en hebben geen betrekking op het schoolplein aan de achterzijde van de school en de geluidmeting van 24 maart 2006 is niet representatief. Verder voert appellant aan dat het schoolplein aan de achterzijde van de school ingrijpend is gewijzigd, in strijd met door verweerder en de schooldirectie gedane toezeggingen.

   De Afdeling stelt vast dat het verzoek van appellant van 1 november 2005, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 17 november 2005, uitsluitend betrekking heeft op overtreding van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit. Voor zover het beroep betrekking heeft op de melding van 30 mei 2006 van nutsschool "De Meent" inzake het Besluit en op de in het verleden verleende goedkeuring van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat deze gronden geen onderdeel uitmaken van het verzoek van 1 november 2005, zodat zij bij de beoordeling van het bestreden besluit buiten beschouwing blijven.

2.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het schoolplein aan de achterzijde van de school niet als een binnenterrein kan worden aangemerkt. Immers, uit een op 24 maart 2006 verrichte geluidmeting blijkt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid op het schoolplein aan de achterzijde van de school en daar buiten gelijk zijn, aldus verweerder. Ter zitting voegt verweerder hier aan toe dat dit eveneens blijkt uit referentieniveaumetingen die zijn uitgevoerd op 17 november 2006. Het stemgeluid op het betreffende schoolplein dient volgens verweerder dan ook buiten beschouwing te worden gelaten bij het bepalen van het geluidniveau. Verweerder betoogt dat, aangezien de geluidgrenswaarden uit voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit in dat geval niet worden overschreden, hij niet bevoegd is om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen. Verweerder betwist dat de geluidmeting van 24 maart 2006 niet als basis kan dienen voor de conclusie omtrent het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voorts is verweerder zich niet bewust van de toezeggingen die hij volgens appellant zou hebben gedaan omtrent het niet wijzigen van het schoolplein aan de achterzijde van de school.

2.3.    Ingevolge voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit, voor zover hier van belang, geldt voor het equivalente geluidniveau (LAeq) en het piekgeluidniveau (Lmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het equivalente geluidniveau (LAeq) op de gevel van woningen in de dagperiode (07.00- 19.00 uur) niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) en het piekgeluidniveau (Lmax) in de dagperiode (07.00-19.00 uur) niet meer mag bedragen dan 70 dB(A).

   Ingevolge voorschrift 1.1.2, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit, blijft bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in voorschrift 1.1.1, het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, buiten beschouwing, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

2.4.    Voor zover appellant een beroep doet op toezeggingen overweegt de Afdeling dat slechts dient te worden beoordeeld of verweerder het verzoek om het toepassen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen terecht heeft afgewezen. In zoverre kan het beroep dan ook niet slagen.

2.5.    Gebleken is dat de in voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit opgenomen geluidgrenswaarden van 50 dB(A) en 70 dB(A) in de dagperiode worden overschreden, indien het stemgeluid van de op het schoolplein aan de achterzijde van de school aanwezige kinderen bij het bepalen van het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau wordt meegerekend. Tevens is gebleken dat indien het stemgeluid van de op het betreffende schoolplein aanwezige kinderen buiten beschouwing wordt gelaten, de geluidgrenswaarden van 50 dB(A) en 70 dB(A) niet worden overschreden.

   Het geschil spitst zich toe op de vraag of het schoolplein aan de achterzijde van de school als binnenterrein als bedoeld in het Besluit kan worden aangemerkt. In de Nota van Toelichting bij voorschrift 1.1.2, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit wordt een buitenterrein omschreven als een voor publiek toegankelijk onbebouwd deel van de inrichting, bijvoorbeeld een tuin of schoolplein. Voorts is in voornoemde Nota van Toelichting, voor zover hier van belang, het volgende gesteld: "De uitsluiting van stemgeluid afkomstig van een buitenterrein geldt feitelijk uitsluitend voor situaties waarbij het buitenterrein aan de straat of een andere openbare ruimte is gelegen. Echter indien een buitenterrein omsloten is door bebouwing zal het omgevingsgeluid doorgaans veel lager zijn. Stemgeluid van het schoolplein zal dan eerder leiden tot overlast. De beoordeling van dergelijke situaties dient overeenkomstig voorschrift 1.1.1 te geschieden."

2.6.    De Afdeling overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of het schoolplein aan de achterzijde van de school dient te worden aangemerkt als een binnenterrein, met name de hoogte van het aldaar heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid van belang is. Voorts is bepalend de mate van beslotenheid van de ligging van het schoolplein, hetgeen tot uitdrukking komt in een lager referentieniveau. Indien het referentieniveau op het schoolplein aan de achterzijde van de school aanmerkelijk lager is dan wanneer dit deel van de inrichting aan de straat of een andere openbare ruimte zou zijn gelegen, bestaat aanleiding het stemgeluid niet uit te sluiten bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting.

   Het onderhavige schoolplein wordt aan de noordelijke zijde gedeeltelijk omsloten door het schoolgebouw en gedeeltelijk door een parkeerplaats die bij de school hoort. Deze parkeerplaats grenst aan de openbare weg en is van het schoolplein gescheiden door middel van een coniferenhaag. Het schoolplein wordt aan de westelijke en zuidelijke zijde omsloten door het schoolgebouw. Aan de oostelijke zijde wordt het schoolplein omsloten door de achtertuinen van een aantal woningen, waaronder de woning van appellant.

   Niet in geschil is dat de geluidmetingen uit 2002 niet bruikbaar zijn voor het verkrijgen van een juist inzicht in het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de geluidmeting van 24 maart 2006 slechts een indicatieve meting betreft en dat hierbij niet het referentieniveau van het omgevingsgeluid is gemeten, maar het gemiddelde geluidniveau. Voorts zijn over de geluidmeting van 17 november 2006 geen gegevens overgelegd.

   Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat, zoals verweerder stelt, het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van het schoolplein aan de achterzijde van de school niet lager is dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid daar buiten. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan verweerder bij de voorbereiding van een besluit onderzoek dient te doen naar de relevante feiten en het bestreden besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.7.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waalre van 4 april 2006, kenmerk 32809;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waalre tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 49,53 (zegge: negenenveertig euro en drieënvijftig cent); het dient door de gemeente Waalre aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Waalre aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting                w.g. Van Leeuwen

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

373-493.