Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200508487/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Wijdemeren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 december 2004, het bestemmingsplan "Het Wijde Blik 2004" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508487/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Intratuin Hilversum B.V.", gevestigd te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren,

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F], [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I],

6.    de stichting "Stichting commissie voor de Vecht en het oostelijk en westelijk Plassengebied", gevestigd te Weesp,

7.    [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8.    [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Wijdemeren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 december 2004, het bestemmingsplan "Het Wijde Blik 2004" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 september 2005, kenmerk 2005-10872, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 6 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2005, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Intratuin Hilversum B.V. (hierna: Intratuin) bij brief van 7 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2005, [appellanten sub 3] bij brief van 10 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2005, [appellant sub 4] bij brief van 18 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2005, [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F], [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] bij brief van 22 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2005, de stichting "Stichting commissie voor de Vecht en het oostelijk en westelijk Plassengebied" (hierna: de Vechtplassencommissie) bij brief van 23 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2005, [appellant sub 7] bij brief van 24 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2005, en [appellant sub 8] bij brief van 24 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2005, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 oktober 2005. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F] en [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 5 januari 2006.

Bij brief van 13 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 mei 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 4] en [appellanten sub 5]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2006, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, Intratuin, vertegenwoordigd door mr. R. Hanken en bijgestaan door drs. H.E. Winkelman, [appellanten sub 3], in persoon en bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Alkmaar, [appellant sub 4], in persoon en bijgestaan door D.H.A. Munnik en P.J.N. Verhallen, [appellanten sub 5], in de persoon van [appellant sub 5A] en bijgestaan door mr. E.C. Lambers, advocaat te Hilversum, de Vechtplassencommissie, vertegenwoordigd door P.A. Bakker, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Wijdemeren, vertegenwoordigd door mr. A. van Dekken, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door I.J. van der Laan de Vries en H.J.A. van der Laan de Vries. [appellant sub 7] en [appellant sub 8] zijn ter zitting na voorafgaand bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Intrekkingen

2.3.    De Vechtplassencommissie heeft ter zitting haar beroep, voor zover dat is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" aan de gronden tussen Moleneind 41 en 45, ingetrokken.

2.3.1.    [appellanten sub 3] hebben ter zitting hun beroep, voor zover dat is gericht tegen het ontbreken van een aanduiding ten behoeve van een uitrit voor jachthaven Brugzicht op De Zuwe, ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.4.    De Vechtplassencommissie stelt in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Ligplaats voor permanent woonschip" achter Moleneind 78.

   In haar zienswijze heeft appellante het woonschepenbeleid in het algemeen bestreden en in dat verband gewezen op de problemen die kunnen ontstaan bij het handhaven van het recreatieve gebruik van voor recreatief gebruik aangewezen woonschepen. De zienswijze is gelet hierop te algemeen geformuleerd om geacht te kunnen worden te zijn gericht tegen de medebestemming "Ligplaats voor permanent woonschip" van genoemd woonschip. Hieruit volgt dat de in beroep door Vechtplassencommissie tegen dit onderdeel van het bestreden besluit aangevoerde grond niet steunt op een door haar bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

2.4.1.    Intratuin stelt in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 11, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften, in zoverre het maximum oppervlak voor horeca is beperkt tot 60 m2. In haar zienswijze heeft appellante in het kader van de omschrijving van de Intratuinformule gewezen op de aanwezigheid van een horecahoek. Zij heeft evenwel niet aangevoerd dat het maximum oppervlak voor horeca van 60 m2 te beperkt is. Hieruit volgt dat de in beroep door Intratuin tegen dit onderdeel van het bestreden besluit aangevoerde grond niet steunt op een door haar bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

2.4.2.    De in beroep door [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] aangevoerde gronden steunen, behoudens voor zover deze betrekking hebben op de bestemming "Natuurgebied" van Het Rustpunt en op de medebestemming "Recreatiewoning" van hun woning H6 aldaar, niet op door hen bij verweerder ingebrachte zienswijzen.

   De in beroep door [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F] aangevoerde gronden steunen, behoudens voor zover deze betrekking hebben op de medebestemming "Recreatiewoning" van hun woning H2 op Het Rustpunt, niet op door hen bij verweerder ingebrachte zienswijzen.

   De in beroep door [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] aangevoerde gronden steunen, behoudens voor zover deze betrekking hebben op de medebestemming "Recreatiewoning" van hun woning [locatie 3] op Het Rustpunt, niet op door hen bij verweerder ingebrachte zienswijzen.

   De in beroep door [appellant sub 5I] aangevoerde gronden steunen, behoudens voor zover deze betrekking hebben op de medebestemming "Recreatiewoning" van zijn woning [locatie 4] op Het Rustpunt, niet op door hem bij verweerder ingebrachte zienswijzen.

2.4.3.    Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

   Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

   Geen van deze omstandigheden doet zich voor. De beroepen van de Vechtplassencommissie, Intratuin, [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F], [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

Procedurele aspecten

2.5.    [appellant sub 4] stelt in beroep onder meer dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte verwijst naar de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de ingebrachte bedenkingen.

2.5.1.    Door in het bestreden besluit aan te geven dat wordt ingestemd met de reactie van het gemeentebestuur op de ingebrachte bedenkingen heeft verweerder deze reactie tot de zijne gemaakt. In beginsel staat geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel aan een dergelijke handelwijze in de weg. Voorts leidt een dergelijke handelwijze niet op voorhand tot de conclusie dat verweerder zich niet - mede naar aanleiding van de door appellant ingebrachte bedenkingen - een eigen oordeel heeft gevormd omtrent hetgeen een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening vereist, in het bijzonder nu de bedenkingen van appellant in het bestreden besluit zakelijk zijn weergegeven. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke handelwijze op voorhand tot de conclusie dient te leiden dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Het plan

2.6.    Het bestemmingsplan voorziet in de actualisering van twee verouderde bestemmingsplannen in het Vechtplassengebied. Het plan is gericht op het behouden van aanwezige waarden, het tegengaan van ongewenste ontwikkelingen en het stimuleren van gewenste ontwikkelingen en is grotendeels conserverend van aard.

Kromme Rade tussen nummers 17 en 18

Het standpunt van [appellant sub 1]

2.7.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" op zijn gronden aan de Kromme Rade, omdat zijn recreatiewoning daar ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Volgens hem heeft de gemeenteraad op 28 oktober 1976 bij zijn besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied I Het Wijde Blik" al besloten tot legalisering van de toen bestaande stacaravan. Voorts wijst hij op recreatieve bebouwing elders in het plangebied die wel als zodanig is bestemd.

Het standpunt van verweerder

2.8.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Volgens hem is de recreatiewoning al verwijderd met toepassing van een onherroepelijk handhavingsbesluit.

Vaststelling van de feiten

2.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.    Aan de gronden van [appellant sub 1] aan de Kromme Rade tussen nummers 17 en 18 (hierna: het perceel) is de bestemming "Natuurgebied" toegekend. Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de planvoorschriften, zijn ter plaatse waar dit op de plankaart als zodanig is aangegeven, de gronden mede bestemd voor een recreatiewoning. Blijkens de plantoelichting zijn bestaande recreatiewoningen in het bestemmingsplan gelegaliseerd door middel van een aanduiding op de plankaart en worden er geen nieuwe recreatiewoningen toegestaan. Aan het perceel is geen nadere aanduiding gegeven.

2.9.2.    Bij besluit van 4 mei 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) [appellant sub 1] op straffe van bestuursdwang aangeschreven om een woning op het perceel te verwijderen. Bij besluit van 20 januari 2003 heeft het college de in dit besluit gestelde begunstigingstermijn gewijzigd.

   Het college heeft de door [appellant sub 1] tegen deze besluiten gemaakt bezwaren, voor zover van belang, ongegrond verklaard.

   De president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam en de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam hebben de beroepen van [appellant sub 1] tegen deze besluiten bij uitspraken van 27 april 2000 respectievelijk 8 oktober 2003 ongegrond verklaard.

2.9.3.    Bij uitspraken van 11 januari 2001, nrs. 200002254/1 en 200002254/2 (aangehecht) en 9 juni 2004, nr. 200306900/1 heeft de Afdeling de hoger beroepen van [appellant sub 1] tegen genoemde uitspraken ongegrond verklaard.

   Bij uitspraken van 30 november 2005, nrs. 200505673/1 en 200505668/1 zijn de verzoeken van [appellant sub 1] om herziening van deze uitspraken afgewezen.

2.9.4.    Op 24 augustus 2005 heeft het gemeentebestuur bestuursdwang toegepast en de recreatiewoning die zich op het perceel bevond, verwijderd.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    Voorop staat dat het beroepschrift slechts is gericht tegen de goedkeuring van het plan in zoverre geen recreatiewoning op het perceel mogelijk is gemaakt. Voor zover ter zitting door en namens appellant is beoogd de omvang van het geding uit te breiden tot de goedkeuring van andere planonderdelen, moet dit in strijd met een goede procesorde worden geacht. Deze aspecten blijven in het navolgende derhalve buiten beschouwing.

2.10.1.    Uit de uitspraken van de Afdeling die worden genoemd in overweging 2.9.3 volgt dat het handhavingsbesluit met betrekking tot de recreatiewoning op het perceel ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al onherroepelijk was. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan kon het gemeentebestuur derhalve op grond van een onherroepelijk besluit handhavend optreden tegen de recreatiewoning. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de recreatiewoning met toepassing van bestuursdwang daadwerkelijk verwijderd. De situatie met betrekking tot deze recreatiewoning is dan ook niet vergelijkbaar met die van andere recreatiewoningen in het plangebied.  Voorts heeft appellant hetgeen hij met betrekking tot het besluit van de gemeenteraad van 28 oktober 1976 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied I Het Wijde Blik" heeft aangevoerd, ook aangevoerd in de procedures die hebben geleid tot genoemde uitspraken van de Afdeling. Dit heeft echter niet geleid tot het oordeel dat het college appellant ten onrechte heeft aangeschreven de recreatiewoning op het perceel te verwijderen, noch tot herziening van genoemde uitspraken van 11 januari 2001 en 9 juni 2004. Ook overigens is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan van het beleid om geen nieuwe recreatiewoningen toe te staan, had moeten worden afgeweken, niet gebleken. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de recreatiewoning niet alsnog als zodanig in het plan had moeten worden opgenomen en dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Kromme Rade 2A

Het standpunt van Intratuin

2.11.    Intratuin stelt in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Tuincentrum", gelezen in samenhang met het begrip "detailhandel in tuininrichtingsartikelen/tuincentrum", zoals omschreven in artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften, omdat dit niet aansluit bij de feitelijke bedrijfsvoering. Voorts ontbreekt ten onrechte de mogelijkheid om vuurwerk te verkopen en op te slaan, aldus appellante.

2.11.1.    Intratuin stelt in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Tuincentrum", voor zover een deel van de bestaande en vergunde bebouwing buiten het daarop ingetekende bouwvlak valt. Appellante wijst er voorts op dat de tweede fase van de uitbreiding, waaronder een kantoortoren, op grond van dit plan niet gerealiseerd kan worden.

2.11.2.    Intratuin stelt in beroep ten slotte dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 11, derde lid, onder f, van de planvoorschriften, omdat een deel van de aanwezige bouwwerken hoger is dan de in die bepaling opgenomen hoogte van maximaal drie meter.

Het standpunt van verweerder

2.12.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze planonderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft ze goedgekeurd. Volgens hem is de doeleindenomschrijving van de bestemming al voldoende verruimd tot "aanverwante artikelen" en is bewust niet gekozen voor vaste verkooppunten voor vuurwerk. Volgens hem wordt de verkoop van vuurwerk niet in een bestemmingsplan geregeld. Voor de omvang van het bouwvlak heeft de bouwvergunning van 29 april 2003 als onderlegger gediend. Van concrete uitbreidingsplannen is geen sprake, aldus verweerder. De hoogte van drie meter voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt volgens hem voor het gehele plan, dus ook voor onderhavig plandeel.

Vaststelling van de feiten

2.13.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.13.1.    Intratuin exploiteert een tuincentrum aan Kromme Rade 2A. Aan haar gronden is de bestemming "Tuincentrum" toegekend. Het assortiment van Intratuin bestaat uit een breed aanbod van "levende en dode" huis- en tuingerelateerde artikelgroepen en vrijetijdsartikelen.

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Tuincentrum" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel in tuininrichtingsartikelen en aanverwante artikelen.

   Ingevolge artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften, wordt onder detailhandel in tuininrichtingsartikelen/tuincentrum verstaan: detailhandel met een al dan niet geheel overdekt verkoopvloeroppervlak waarop artikelen voor de inrichting en het onderhoud van particuliere tuinen en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen worden aangeboden.

2.13.2.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Tuincentrum" aangewezen gronden bestemd voor horeca, ten dienste van de onder a genoemde functie, met een maximum oppervlak van 60 m2. De gemeenteraad heeft de mogelijkheid van horeca in het plan opgenomen naar aanleiding van de zienswijze van Intratuin.

2.13.3.    Ingevolge artikel 11, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, dienen gebouwen te worden gebouwd binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak. Op 29 april 2003 is aan Intratuin een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor onder meer het oprichten van nieuwe verkoopkassen. Volgens het deskundigenbericht valt een deel van deze verkoopkassen buiten het bouwvlak. Ook valt de door Intratuin gewenste uitbreiding met kantoorruimte buiten het bouwvlak.

2.13.4.    Ingevolge artikel 11, derde lid, onder f, van de planvoorschriften, mag de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan drie meter. Volgens het deskundigenbericht bevindt zich op het buitenterrein van Intratuin een aantal bouwwerken met een grotere hoogte dan drie meter, zoals stellingen van 4,5 tot 5 meter hoog, klimtoestellen voor spelende kinderen en lichtmasten.

Het oordeel van de Afdeling

2.14.    Onvoldoende duidelijk is of de definitie van artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften, die zich beperkt tot "particuliere tuinen" en "rechtstreeks" daarmee samenhangende artikelen, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, in het bijzonder de woorden "aanverwante artikelen", recht doet aan de bedrijfsvoering van Intratuin. Nu de gemeenteraad, zoals ter zitting is komen vast te staan, niet heeft beoogd het gevoerde assortiment van Intratuin te beperken, leidt het plan in zoverre tot onzekerheid omtrent het assortiment dat is toegestaan. Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

2.14.1.    Niet in geding is dat vuurwerk geen deel uitmaakt van het gebruikelijke assortiment van een tuincentrum en dat het bestemmingsplan de verkoop van vuurwerk ter plaatse uitsluit. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel af te leiden dat verweerder niet heeft beoogd de incidentele verkoop van vuurwerk uit te sluiten. Door terzake alleen te verwijzen naar de algemene plaatselijke verordening en de Wet milieubeheer heeft verweerder miskend dat voor de verkoop van vuurwerk ook een planologische regeling is vereist. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

2.14.2.    Ter zitting heeft verweerder gesteld dat hij niet uitsluit dat een gedeelte van de met bouwvergunning gerealiseerde verkoopkassen buiten het bouwvlak valt en dat hij alsdan in zoverre ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend. Hetzelfde heeft hij gesteld ten aanzien van de lichtmasten op het terrein die hoger zijn dan drie meter.

   De Afdeling stelt vast dat uit de vergelijking van de bouwtekening bij de aan Intratuin verleende bouwvergunning en plankaart E blijkt dat een klein gedeelte van de met bouwvergunning opgerichte verkoopkassen is gelegen buiten het bouwvlak. Anders dan verweerder heeft beoogd is in het plan in zoverre dus niet aangesloten bij de bouwvergunning. Voorts is aannemelijk gemaakt dat zich op het terrein lichtmasten bevinden die hoger zijn dan drie meter. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Verder is gebleken dat verweerder zich geen rekenschap heeft gegeven van andere bouwwerken op het terrein die hoger zijn dan drie meter, zoals opslagstellingen, tuinhuisjes en speeltoestellen. Ook in zoverre is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.14.3.    Ter zitting is gebleken dat de door Intratuin geplande uitbreiding met kantoorruimte geen onderdeel uitmaakt van de in 2003 verleende vrijstelling en bouwvergunning en dat zij daarvoor nog geen bouwvergunning heeft aangevraagd. Ook anderszins waren haar plannen ten tijde van het nemen van het bestreden niet zo concreet, dat verweerder daarmee in redelijkheid rekening had behoeven te houden.

2.14.4.    Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit wat betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Tuincentrum" aan Kromme Rade 2A, artikel 1, onder 32, en artikel 11, derde lid, onder f, van de planvoorschriften, genomen in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid, met artikel 3:2 en met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van Intratuin is gegrond. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan voornoemde planonderdelen.

Jachthaven Brugzicht: uitbreidingsmogelijkheden

Het standpunt van [appellanten sub 3]

2.15.    [appellanten sub 3] stellen in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" ten westen van de jachthaven. Zij wensen de jachthaven in die richting uit te breiden en wijzen er op dat zij als enige jachthaven in het plangebied geen uitbreidingsmogelijkheden hebben gekregen. Volgens hen heeft de gewenste uitbreiding nauwelijks invloed op natuurwaarden, mede omdat de desbetreffende gronden een natuurlijke grens vormen met het omliggende natuurgebied.

Het standpunt van verweerder

2.16.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Uitbreiding van de jachthaven leidt volgens hem tot aantasting van natuurwaarden en is aldus in strijd met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Ook zouden aldaar gelegen woonhuizen mogelijk overlast krijgen en een beroep op planschade kunnen doen, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.17.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.17.1.    Het plandeel waar appellanten de jachthaven wensen uit te breiden is gelegen direct ten westen, in het verlengde van de bestaande jachthaven, en heeft de bestemming "Natuurgebied". Het bestaat uit een stuk grond dat is begroeid met gras met een breedte van ongeveer 30 meter en wordt begrensd door bosschages.

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Natuurgebied" aangewezen gronden bestemd voor doeleinden van natuur en landschap, zijnde het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van het gebied.

2.17.2.    Naar de gevolgen van de door appellanten gewenste uitbreiding van hun jachthaven is geen onderzoek verricht.

Het oordeel van de Afdeling

2.18.    In het bestreden besluit is aan de bestemming "Natuurgebied" ter plaatse goedkeuring verleend omdat uitbreiding van de jachthaven de natuurwaarden zal aantasten en tot overlast bij woonhuizen zal leiden. De omstandigheid dat het plandeel is gelegen in een gebied met hoge natuurwaarden betekent echter niet dat iedere uitbreiding van de jachthaven zonder meer moet worden uitgesloten. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen de uitbreiding van de jachthaven zal hebben op de natuurwaarden. Mede er op gelet dat de gewenste uitbreiding beperkt is, op gronden die thans slechts zijn begroeid met gras, is niet zonder meer aannemelijk dat aantasting van natuurwaarden zo groot zou zijn dat uitbreiding van de jachthaven ter plaatse moet worden uitgesloten. Ook de stelling dat nabij gelegen woonhuizen mogelijk overlast zullen ondervinden is niet gemotiveerd.

   Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

   Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

Jachthaven Brugzicht: de berging op De Zuwe 22A

Het standpunt van [appellanten sub 3]

2.19.    [appellanten sub 3] stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Jachthaven" aan De Zuwe 22A, voor zover de bestaande berging niet als zodanig is bestemd. Volgens hen bestaat deze berging al zes á zeven jaar en dient deze als privé-berging.

Het standpunt van verweerder

2.20.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.21.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.21.1.    De berging is gelegen op het plandeel met de bestemming "Jachthaven" en is gelegen buiten een bouwvlak.

   Ingevolge artikel 12, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, dienen bijgebouwen te worden gebouwd binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken.

   De berging is opgericht zonder bouwvergunning.

Het oordeel van de Afdeling.

2.22.    Nu voor de berging geen bouwvergunning is verleend en ter zitting onweersproken is gesteld dat ook onder het vorige plan geen bouwvergunning kon worden verleend, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om de berging als zodanig in het plan op te nemen. De Afdeling neemt daarbij mede in aanmerking dat ter zitting namens de gemeenteraad is gesteld dat handhavend zal worden opgetreden.

   Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre ongegrond.

[Woonschip]

Het standpunt van [appellanten sub 3]

2.23.    [appellanten sub 3] stellen in beroep voorts dat verweerder wat betreft hun [woonschip] ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Ligplaats voor recreatief woonschip", waardoor verplaatsing naar hun jachthaven niet mogelijk is.

Het standpunt van verweerder

2.24.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Volgens hem ligt [woonschip] niet in kwetsbaar gebied en is verplaatsing naar jachthaven Brugzicht niet noodzakelijk.

Vaststelling van de feiten

2.25.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.25.1.    Het woonschip van appellanten ligt te midden van de oeverlanden in de plas Het Wijde Blik. De ligplaats is ingetekend op gronden met de bestemming "Natuurgebied" met de medebestemming "Ligplaats voor recreatief woonschip".

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Natuurgebied" aangewezen gronden ter plaatse waar dit op de plankaart als zodanig is aangegeven mede bestemd voor een ligplaats voor een permanent of recreatief woonschip.

   Artikel 12, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften, luidt, voor zover van belang: "Er wordt een restrictief beleid gevoerd ten aanzien van ligplaatsen voor woonschepen. [...] Vanwege bescherming van de aanwezige natuur- en landschapswaarden is aan een aantal ligplaatsen geen positieve bestemming toegekend. Het gaat hier om 11 ligplaatsen buiten de jachthavens. Voor één van deze ligplaatsen is reeds voorzien in verplaatsing [...] Voor de overige 10 ligplaatsen wordt gestreefd naar concentratie, eveneens door verplaatsing naar jachthavens. In de jachthavens worden extra ligplaatsen mogelijk gemaakt om deze boten op te vangen. [...] Het totaal aantal ligplaatsen voor woonschepen mag per jachthaven / jachtwerf niet meer bedragen dan weergegeven in onderstaande tabel"

   In de in artikel 12, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften, genoemde tabel is voor jachthaven Brugzicht een aantal van maximaal twee woonschepen opgenomen. Thans bevinden zich in jachthaven Brugzicht geen woonschepen.

Het oordeel van de Afdeling

2.26.    Anders dan partijen veronderstellen, staat artikel 12, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften er niet aan in de weg dat appellanten hun woonschip verplaatsen naar jachthaven Brugzicht, zolang het maximaal toegestane aantal van twee woonschepen in die jachthaven niet wordt overschreden. In het plan is immers niet dwingend voorgeschreven dat de twee ligplaatsen voor woonschepen in jachthaven Brugzicht alleen mogen worden benut voor de verplaatsing van woonschepen die niet als zodanig in het plan zijn opgenomen. Dat de locatie van het woonschip de medebestemming "Ligplaats voor recreatief woonschip" heeft gekregen, is voor de mogelijkheid van verplaatsing derhalve niet van belang. In zoverre appellanten betogen dat zij hun woonschip niet naar hun jachthaven kunnen verplaatsen, mist het dan ook feitelijke grondslag.

   Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre ongegrond.

De schuur op De Zuwe 20B

Het standpunt van [appellanten sub 3]

2.27.    [appellanten sub 3] stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan De Zuwe 20B, voor zover de bestaande schuur niet als zodanig is bestemd. Volgens hen bestaat deze schuur al 35 jaar.

Het standpunt van verweerder

2.28.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.29.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.29.1.    Op het bouwperceel aan De Zuwe 20B bevinden zich thans een woning en een schuur. De schuur heeft een oppervlakte van ongeveer 30 m2 en is gebouwd zonder bouwvergunning. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder g, aanhef en sub 1, van de planvoorschriften, zijn aan- en bijgebouwen buiten het bouwvlak toegestaan, met een oppervlak per bouwperceel van niet meer dan 24 m2. Ingevolge artikel 8, derde lid, van de planvoorschriften, is het college onder voorwaarden bevoegd vrijstelling te verlenen van deze bepaling voor het bouwen van maximaal 50 m2 aan aan- en/of bijgebouwen op een bouwperceel.

Het oordeel van de Afdeling

2.30.    Uit de stukken blijkt dat verweerder heeft miskend dat de schuur al 35 jaar op het perceel aanwezig is en niet pas sinds 2004. Gelet hierop is verweerder bij de vraag of de schuur als zodanig in het plan had moeten worden opgenomen uitgegaan van onjuiste feiten. Ter zitting heeft de gemeenteraad voorts gesteld dat het voor de hand ligt dat voor de 6 m2 die de schuur de toegestane oppervlakte overschrijdt, desgevraagd vrijstelling zal worden verleend. Verweerder heeft niet aangegeven waarom uit ruimtelijke oogpunt bezwaar bestaat tegen een positieve bestemming van de gehele schuur. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

   Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

[locatie 1]

Het standpunt van [appellanten sub 3]

2.31.    [appellanten sub 3] stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" vóór de woning aan [locatie 1]. Deze strook betreft volgens hen de tuin en het erf bij de woning.

Het standpunt van verweerder

2.32.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.33.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.33.1.    Volgens het deskundigenbericht wordt de strook grond bij de woning aan [locatie 1] gebruikt als grasland en deels als erf bij de woning.

2.33.2.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor tuinen en erven.

   Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Groenvoorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor groen en water.

2.33.3.    In het vorige plan was aan deze gronden deels de bestemming "Agrarische doeleinden met bebouwing" en deels de bestemming "Gebied van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde met agrarisch gebruik" toegekend. Het vorige plan bevatte tevens bestemmingen "Erven" en "Tuinen".

Het oordeel van de Afdeling

2.34.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gronden die in gebruik zijn als tuin voor de woning zijn gelegen in het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" en in zoverre ook als tuin mogen worden gebruikt.

   Ter zitting is voorts komen vast te staan dat het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" thans wordt gebruikt als grasland. Verweerder heeft zich mitsdien terecht op het standpunt gesteld dat het niet in gebruik is als tuin of erf bij de woning en dat geen aanleiding bestaat het als zodanig te bestemmen. Ook in het vorige plan was aan deze gronden niet de bestemming "Erven" toegekend. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre ongegrond.

Jachthaven Kortenhoef: de loods aan het Moleneind tussen nummers 2 en 4

Het standpunt van [appellanten sub 3] en de Vechtplassencommissie

2.35.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Jachthaven" aan het Moleneind tussen nummers 2 en 4, voor zover daarop een bouwvlak met een omvang van 650 m2 is ingetekend voor een bedrijfsgebouw ten behoeve van de in- en verkoop en reparatie van tuin- en parkmachines, watersportartikelen, gereedschappen en aanverwante artikelen. Zij wijzen er op dat het bouwvlak is gelegen in een SBZ-VR en dat een onderzoek naar de effecten daarop ontbreekt. Voorts achten zij het plandeel in strijd met het streekplan Noord-Holland Zuid, waarin het plangebied onder meer is aangewezen als stiltegebied. Volgens hen is het standpunt dat het vorige plan ter plaatse ook al bedrijfsbebouwing toestond bovendien onjuist.

Het standpunt van verweerder

2.36.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Volgens hem bood het vorige bestemmingsplan ook al de mogelijkheid om bebouwing uit te breiden met een bedrijfsloods en kan deze niet als nieuwe ontwikkeling worden beschouwd.

Vaststelling van de feiten

2.37.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.37.1.    Op het plandeel met de bestemming "Jachthaven" voor jachthaven Kortenhoef aan het Moleind tussen nummers 2 en 4 is een bouwvlak met de aanduiding * opgenomen (hierna: het bouwvlak). Blijkens de plankaart betekent deze aanduiding: bedrijfsdoeleinden. Het bouwvlak bevindt zich op een afstand van ongeveer 20 meter tot de woning aan [locatie 1]. Volgens de plantoelichting is de aanduiding bedoeld voor de verplaatsing van een bestaand bedrijf aan het Zuidereinde naar deze locatie.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder p, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaarten voor "Jachthaven" aangewezen gronden, ter plaatse waar dit als zodanig is aangegeven, mede bestemd voor bedrijfsdoeleinden.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften, is onder bedrijfsdoeleinden uitsluitend de vestiging van één bedrijf toegestaan, met als activiteit de in- en verkoop en reparatie van tuin- en parkmachines, watersportartikelen, gereedschappen en aanverwante artikelen.

2.37.2.    Bij besluit van 24 maart 2000, Stcrt. 2000, 65, zoals gewijzigd bij besluit van 25 april 2003, Stcrt. 2003, 95, zijn de Oostelijke Vechtplassen aangewezen als speciale beschermingszone (hierna: SBZ-VR) als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn).

   Ingevolge artikel 7 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn) geldt voor deze SBZ-VR het beschermingsregime van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

   Bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 is dit gebied aangewezen als gebied van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (hierna: SBZ-HR).

   Er is geen onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen van de vestiging van het bedrijf voor de SBZ-VR dan wel de SBZ-HR.

2.37.3.    In het Streekplan Noord-Holland Zuid is het plangebied aangeduid als behorend tot de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur, als Natuurbeschermingsgebied, als Belvedèregebied en als Milieubeschermingsgebied.

2.37.4.    Gebruik als bedrijfsloods zal volgens het deskundigenbericht een toename van het geproduceerde geluid en een toename van de betreding van het gebied met zich brengen. Ook zal voor de bouw een deel van het water moeten worden gedempt.

2.37.5.    In opdracht van jachthaven Kortenhoef B.V. is een quick scan uitgevoerd naar de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten. Het rapport dateert van 17 oktober 2005. Hierin wordt geconcludeerd dat geen significante effecten zijn te verwachten.

2.37.6.    In het vorige bestemmingsplan viel het bouwvlak binnen gronden met deels de bestemming "Natuurgebied" en deels de bestemming "Jachthaven".

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan, waren de op de plankaart voor jachthaven aangewezen gronden bestemd voor watersportdoeleinden en de hierbij behorende voorzieningen.

   Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan, mochten op of in de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming zoals een reparatiewerkplaats, een botenconstructiewerkplaats, botenopslagloods, sanitaire voorzieningen, een kantine, een dienstwoning, aanlegsteigers en parkeervoorzieningen. Een specifieke plek voor een dergelijk bedrijfsgebouw was in het vorige plan niet aangegeven.

   Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan, mocht op gronden met de bestemming "Natuurgebied" niet worden gebouwd.

Het oordeel van de Afdeling

2.38.    De Afdeling begrijpt het standpunt van verweerder aldus, dat volgens hem kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone (hierna: SBZ) de Oostelijke Vechtplassen, omdat ook het vorige plan de mogelijkheid om de bestaande bebouwing uit te breiden met een bedrijfsloods al bevatte, zodat geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling. Een bedrijf met als activiteit de in- en verkoop en reparatie van tuin- en parkmachines, watersportartikelen, gereedschappen en aanverwante artikelen kan, behoudens wat betreft de watersportartikelen, echter niet worden geacht te vallen onder de doeleindenomschrijving van de bestemming "Jachthaven" van het vorige plan. Gelet hierop heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijke verplaatsing van het bestaande bedrijf aan het Zuidereinde, waarvoor onderhavige bestemmingsregeling expliciet is opgenomen, niet kan worden aangemerkt als een nieuwe ontwikkeling.

2.38.1.    De aanwijzing van een gebied als SBZ heeft het behoud van een gunstige staat van instandhouding of het herstellen van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna tot doel. Hieruit volgt dat bij de vraag of een plan significante negatieve effecten kan hebben voor een SBZ in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Bezien dient te worden of het plan gevolgen heeft voor deze instandhoudingsdoelstellingen. Of de geconstateerde gevolgen van een plan vervolgens als significant zijn aan te merken is afhankelijk van de mate waarin ten tijde van de planvaststelling aan de instandhoudingsdoelstellingen wordt voldaan en van de verhouding tussen de reeds aanwezige belasting van het gebied en de bijdrage van het plan daaraan.

2.38.2.    Nu het plan feitelijk voorziet in een nieuwe ontwikkeling, die volgens het deskundigenbericht een toename van het geproduceerde geluid en een toename van de betreding van het gebied met zich brengt, heeft verweerder zich zonder onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan geen significante gevolgen heeft voor de SBZ de Oostelijke Vechtplassen. Het onderzoek van 17 oktober 2005 dateert van na het bestreden besluit en kan reeds daarom bij de besluitvorming geen rol hebben gespeeld. Gelet hierop dient dit onderzoek hier buiten beschouwing te blijven.

   Voorts is niet gebleken dat verweerder heeft onderzocht in hoeverre het plandeel in overeenstemming is met het Streekplan Noord-Holland Zuid.

2.38.3.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   De beroepen van [appellanten sub 3] en de Vechtplassencommissie zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd. Gelet hierop hoeft hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd tegen dit plandeel geen bespreking.

De groenstrook tussen jachthaven Brugzicht en jachthaven Kortenhoef

Het standpunt van [appellanten sub 3] en de Vechtplassencommissie

2.39.    Appellanten stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Jachthaven" voor zover het betreft een groenstrook tussen jachthaven Kortenhoef en jachthaven Brugzicht. Deze strook grond had in het vorige plan de bestemming "Natuurgebied" en vormt een natuurlijke scheiding tussen beide jachthavens die behouden dient te blijven, aldus appellanten. [appellanten sub 3] vrezen aantasting van hun privacy als de bestaande groenstrook, die is gelegen voor hun woning aan [locatie 1], wordt verwijderd.

Het standpunt van verweerder

2.40.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Binnen de bestemming "Jachthaven" is volgens hem een groene bufferzone tussen de jachthavens ook mogelijk en er zijn geen plannen bekend om de groenstrook te verwijderen.

Vaststelling van de feiten

2.41.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.41.1.    Tussen jachthaven Kortenhoef en jachthaven Brugzicht, direct grenzend aan de woning van appellanten aan [locatie 1], bevindt zich een strook grond die deels bestaat uit grasland en deels is begroeid en thans dient als afscheiding tussen de twee jachthavens. Deze grond heeft in het plan de bestemming "Jachthaven" gekregen. In het vorige plan was aan deze groenstrook de bestemming "Natuurgebied" toegekend.

2.41.2.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaarten voor "Jachthaven" aangewezen gronden bestemd voor een veelheid aan functies. Een groene bufferzone is daarbij niet genoemd.

Het oordeel van de Afdeling

2.42.    Anders dan verweerder betoogt, voorziet de bestemming "Jachthaven" niet in een groene bufferzone. De bestemming "Jachthaven" maakt daarentegen juist een veelheid aan functies mogelijk die niet zijn te verenigen met het huidige gebruik als natuurlijke afscherming. Gebleken is dat verweerder dit niet heeft onderkend. Ook overigens is niet gebleken dat met het belang van [appellanten sub 3] bij behoud van de groenstrook rekening is gehouden. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

   De beroepen van [appellanten sub 3] en de Vechtplassencommissie zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

Moleneind 7B

Het standpunt van de Vechtplassencommissie

2.43.    De Vechtplassencommissie stelt in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Botenverhuurbedrijf" op het perceel Moleneind 7B, voor zover daarbij de mogelijkheid is geboden van een bedrijfswoning. Volgens haar bestaat geen behoefte aan een bedrijfswoning, omdat de kans groot is dat het bedrijf zal worden beëindigd en de bedrijfswoning zal worden omgezet in een burgerwoning. Dit acht appellante niet aanvaardbaar.

Het standpunt van verweerder

2.44.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Hij acht het niet waarschijnlijk dat de bedrijfswoning zal worden omgezet in een burgerwoning en wijst op de mogelijkheid, als dat toch gebeurt, daartegen handhavend op te treden.

Vaststelling van de feiten

2.45.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.45.1.    Aan het Moleneind 7B is op het plandeel met de bestemming "Botenverhuurbedrijf" een botenverhuurbedrijf gevestigd. De eigenaar woont ter plaatse op een "verland" woonschip.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "botenverhuurbedrijf" aangewezen gronden mede bestemd voor een bedrijfswoning.

Het oordeel van de Afdeling

2.46.    Op grond van het bestemmingsplan wordt niet meer mogelijk gemaakt dan dat het bestaande woonschip kan worden vervangen door een bedrijfswoning. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Botenverhuurbedrijf" de beste waarborg biedt dat ter plaatse een botenverhuurbedrijf blijft gevestigd, ook als de huidige eigenaar zijn gronden verkoopt. Indien mocht blijken dat op het perceel een woning wordt opgericht die niet wordt gebruikt als bedrijfswoning, biedt immers juist de gekozen bestemmingsregeling mogelijkheden om daartegen handhavend op te treden. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Botenverhuurbedrijf" op het perceel Moleneind 7B, voor zover daarbij de mogelijkheid is geboden van een bedrijfswoning, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Het beroep van de Vechtplassencommissie is in zoverre ongegrond.

Moleneind 78

Het standpunt van de Vechtplassencommissie

2.47.    De Vechtplassencommissie stelt in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt" op het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan Moleneind 78. Hiermee wordt volgens haar in strijd met het streekplan de mogelijkheid geboden voor de bouw van een woning, die bovendien afdoet aan het cultuurhistorische karakter van de lintbebouwing en in strijd is met de SBZ-VR. Appellante heeft daarbij gewezen op de aanwezigheid van de IJsvogel op het perceel.

   De Vechtplassencommissie stelt in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" op dit perceel. Volgens haar is aldus het tweede vervenershuisje ten onrechte niet geheel als zodanig bestemd.

Het standpunt van verweerder

2.48.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze planonderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Volgens hem zijn aan de wijzigingsbevoegdheid objectieve afwegingscriteria verbonden en is deze niet in strijd met het streekplan. Het vervenershuisje is volgens hem conform de bestaande situatie bestemd.

Vaststelling van de feiten

2.49.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.49.1.    De gronden aan Moleneind 78 hebben deels de bestemming "Natuurgebied" en deels de bestemming "Woondoeleinden" gekregen, beide met de aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt".

   Ingevolge artikel 30, derde lid, onder 3.1, van de planvoorschriften, kunnen burgemeester en wethouders in geval van sanering van bestaande ruimtelijk ongewenste functies of situaties, de bestemming wat betreft de nader op de plankaart aangegeven gronden, plaatselijk bekend als Moleneind 78, wijzigen van "Natuurgebied" in "Woondoeleinden".

   Ingevolge artikel 30, derde lid, onder 3.2, van de planvoorschriften, voor zover van belang, kan van de onder 3.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid slechts gebruik worden gemaakt indien aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a. Binnen de bestemming "Woondoeleinden" is de bouw van maximaal één woning toegestaan;

b. De voorgevel van de te bouwen woning dient minimaal 22 meter en maximaal 32 meter van de as van de weg te worden gesitueerd;

c. Het bouwvlak van de woning dient zodanig te worden gesitueerd dat de doorzichten naar het achterliggende natuurgebied behouden blijven danwel worden hersteld;

[...]

h. De bestaande woning (voormalig vervenershuisje) dient te worden gerestaureerd en dient te worden gehandhaafd als bijgebouw bij de woning.

2.49.2.    In het vorige bestemmingsplan had het perceel de bestemming "Botenaanlegplaats" ten behoeve van maximaal 20 roeiboten en kano's. Volgens het deskundigenbericht is thans geen sprake van een jachthaven noch van een botenaanlegplaats. Er bevinden zich twee schepen.

2.49.3.    Bij besluit van 25 oktober 1995 heeft verweerder geweigerd een verklaring van geen bezwaar af te geven voor de bouw van een woning op het perceel. In het besluit wordt gewezen op het negatieve advies van de Inspecteur voor de Ruimtelijke Ordening op grond van aantasting van de aanwezige natuur- en landschapsbelangen en op grond van het restrictief beleid voor het groene hart.

2.49.4.    Na wijziging van de bestemming is de bouw van een woning mogelijk buiten het bebouwingslint en in de SBZ-VR. Volgens het deskundigenbericht zijn al verscheidene woningen op geruime afstand van het Moleneind in de oeverlanden gerealiseerd. Naar de gevolgen van de bouw van een woning op het perceel aan het Moleneind 78 op de SBZ is geen onderzoek verricht.

2.49.5.    Het perceel is gelegen in een gebied dat in het streekplan Noord-Holland Zuid, vastgesteld op 17 februari 2003, is aangeduid met ‘groene en cultuurhistorische waarden en milieubeschermingsgebieden’. Hierover vermeldt het streekplan: "In deze gebieden is sprake van bijzondere natuurlijke waarden en kenmerken of landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren die wij willen beschermen, behouden en versterken. De aard van de bescherming en de mate waarin planologische beperkingen in het gebruik van de gronden gelden, verschilt per type gebied en dient te worden afgestemd op de te beschermen belangen. Onnodige beperkingen worden zo voorkomen. Dit gebiedsgerichte maatwerk wordt vastgelegd in bestemmingsplannen." Voorts vermeldt het streekplan dat in het landelijk gebied functiewijziging naar kleinschalige vormen van wonen onder meer is toegestaan bij opheffing van ruimtelijk ongewenste situaties.

2.50.    De bestemming "Woondoeleinden" op het perceel betreft een vervenershuisje. Binnen het bouwvlak is in een cirkeltje een 'v' ingetekend, hetgeen volgens de verklaring op plankaartblad A 'vervenershuisje' betekent. Uit het deskundigenbericht blijkt dat ter plaatse sprake is van één vervenershuisje met twee aan elkaar gebouwde schuurtjes, die samen een geheel vormen. De schuurtjes vallen buiten het bouwvlak.

Het oordeel van de Afdeling

2.51.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit het beleid met betrekking tot de groene en cultuurhistorische waarden en milieubeschermingsgebieden in het streekplan Noord-Holland Zuid niet voortvloeit dat de bouw van een nieuwe woning ter plaatse niet is toegestaan. In het bijzonder is functiewijziging mogelijk als daarmee een ruimtelijk ongewenste situatie wordt opgeheven. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarvan in dit geval van een botenaanlegplaats voor twintig boten met de daarbij behorende verkeersbewegingen en parkeerproblematiek sprake is. Dat zich thans ter plaatse feitelijk geen botenaanlegplaats meer bevindt, doet daaraan niet af, omdat dit het directe gevolg is van de voorgenomen functiewijziging.

   De omstandigheid dat in 1995 een verklaring van geen bezwaar na een negatief advies van de Inspecteur is afgegeven, betekent niet dat ook thans reeds daarom een nieuwe woning ter plaatse moet worden uitgesloten. In 1995 was het onderhavige streekplan immers nog niet in werking. Ook de feitelijke situatie was toen anders dan nu.

   Aan de omstandigheid dat na wijziging een woning mogelijk kan worden gemaakt buiten het bebouwingslint heeft verweerder, mede gelet op het deskundigenbericht waaruit blijkt dat zich ook elders langs het Moleneind al woningen bevinden buiten de lintbebouwing, geen zwaar gewicht behoeven toe te kennen. Voorts is van belang dat als wijzigingsvoorwaarde is gesteld dat de doorzichten naar het achterliggende natuurgebied behouden moeten blijven dan wel moeten worden hersteld. Gelet hierop heeft verweerder er in redelijkheid van kunnen uitgaan dat door de bouw van een woning geen sprake zal zijn van ernstige aantasting van de cultuurhistorische waarde.

   Verweerder heeft evenwel miskend dat met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven kan worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de nieuwe bestemming op de SBZ-VR had derhalve niet mogen ontbreken. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   Het beroep van de Vechtplassencommissie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

2.52.    Gelet op het deskundigenbericht vormt het vervenershuisje met de twee aan elkaar gebouwde schuurtjes een ensemble. Door de schuurtjes buiten het bouwvlak te laten en de aanduiding "v" te beperken tot het bouwvlak is niet gewaarborgd dat het ensemble behouden blijft. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat aan de schuurtjes niet dezelfde bescherming behoort toe te komen als aan het vervenershuisje is toegekend. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

   Het beroep van de Vechtplassencommissie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

[locatie 2]

Het standpunt van [appellant sub 4]

2.53.    [appellant sub 4] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan [locatie 2], ten zuiden van het daar aanwezige pad. Appellant wenst dat het terrein overeenkomstig het feitelijk gebruik wordt bestemd voor opslag van bouwmaterialen.

2.53.1.    [appellant sub 4] stelt in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Opslag", omdat de twee locaties waar zich bedrijfsopstallen bevinden niet als zodanig zijn bestemd en bovendien aan de meest westelijke locatie geen uitbreidingsmogelijkheid van 250 m2 is toegekend, omdat geen bedrijfswoning mogelijk is en omdat de opslaghoogte is beperkt tot vier meter.

Het standpunt van verweerder

2.54.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Volgens hem is sprake van legalisering van een bedrijf dat in strijd was met het vorige bestemmingsplan, dat is gelegen buiten de rode contour en in de nabijheid van natuurgebied, een SBZ en woningen, zodat alleen het aanvankelijk in gebruik genomen terrein als zodanig is bestemd. De bestaande bouwwerken zijn alle gebouwd zonder bouwvergunning, waartegen volgens de gemeenteraad handhavend zal worden opgetreden. Een nieuwe bedrijfswoning is in strijd met het provinciaal beleid, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.55.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.55.1.    [appellant sub 4] exploiteert een transportbedrijf met verhuur van containers en grondverzet. Op zijn gronden aan de [locatie 2] plaatst hij zijn materieel en containers en slaat hij bouw- en bestratingsmateriaal op.

2.55.2.    Een deel van de gronden heeft de bestemming "Opslag" gekregen. Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Opslag" aangewezen gronden bestemd voor opslag voor bouwmaterialen en containers en voor erven, toegangswegen en parkeervoorzieningen. Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd en mag de hoogte van de opslag niet meer bedragen dan vier meter.

   Op het terrein bevinden zich twee gebouwen, die gebruikt worden voor opslag en als kantine en kantoorruimte. Voor deze gebouwen zijn geen bouwvergunningen verleend.

2.55.3.    Het gedeelte van het terrein dat ten zuiden ligt van het pad dat over het terrein loopt, heeft de bestemming "Natuurgebied" gekregen. Deze gronden hadden onder het vorige plan de bestemming "Gebied van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde met agrarisch gebruik". Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de planvoorschriften van het vorige plan, mochten gronden en bouwwerken die ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan gebruikt werden voor een doel dat krachtens artikel 32 is verboden, voor dit doel in gebruik blijven.

2.55.4.    Ingevolge artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften, is van de werking van het gebruiksovergangsrecht uitgesloten het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

2.55.5.    De hoogte van vier meter staat het stapelen van containers niet toe.

Het oordeel van de Afdeling

2.56.    Gelet op het verhandelde ter zitting kan niet worden uitgesloten dat het gebruik van een gedeelte van de gronden met de bestemming "Natuurgebied" voor opslag van bouwmaterialen en containers is aangevangen voor de inwerkingtreding van het vorige plan, zodat dit gebruik onder het vorige plan mogelijk zou zijn toegestaan op grond van het overgangsrecht. Verweerder heeft dit niet onderzocht, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

2.57.    Door de opslagactiviteiten als zodanig in het plan op te nemen houdt dit in, gelet op de activiteiten die op het terrein ontplooid werden, dat er voor gekozen is het bedrijf ter plaatse te laten voortbestaan zoals het functioneerde. Dat betekent dat het bedrijf daarvoor ook planologisch de mogelijkheden moeten worden geboden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel niet af te leiden dat de bestaande gebouwen die zich op het plandeel met de bestemming "Opslag" bevinden gelet op de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten niet noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering. Een nadere motivering voor het niet opnemen van de bestaande gebouwen mocht derhalve niet achterwege blijven. In dit verband had voorts moeten worden onderzocht in hoeverre een dienstwoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, in hoeverre het bedrijf behoefte heeft aan uitbreidingsmogelijkheden en welk belang het bedrijf heeft bij een stapelhoogte van zes meter. Eerst dan kunnen de belangen van het bedrijf worden afgewogen tegen de belangen die het plan mede beoogt te beschermen. Van zodanig onderzoek is evenwel niet gebleken.

   Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 4] in zoverre gegrond is, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

Het Rustpunt

Het standpunt van [appellanten sub 5]

2.58.    [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] stellen in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de toekenning van de bestemming "Natuurgebied" aan Het Rustpunt aan de Zuwe 20A. Volgens hen is het terrein feitelijk volgebouwd en in gebruik voor permanente bewoning en zijn geen natuurwaarden aanwezig. Voorts is volgens hen op de plankaarten de bestaande bebouwing ten onrechte niet weergegeven.

2.58.1.    [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Ligplaats voor recreatief woonschip" voor woonark W18 en de medebestemming "Recreatiewoning" voor de woningen H2, [locatie 3], H6 en [locatie 4].

   [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Recreatiewoning" voor de woning H2.

   [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Recreatiewoning" voor de woning [locatie 3].

   [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Recreatiewoning" voor de woning H6.

   [appellant sub 5I] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Recreatiewoning" voor de woning [locatie 4].    

   Appellanten wijzen in dit verband op de overige woonarken op Het Rustpunt en op de woningen aan de Zuwe 19 en 21 waar permanente bewoning wel is toegestaan en achten dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Genoemde woningen vormen een aangesloten bebouwingslint met de woningen op Het Rustpunt, aldus appellanten. Voorts is het volgens hen in strijd met het rijksbeleid om permanente bewoning niet toe te staan. Ten slotte is niet gebleken dat de gemeenteraad bezwaren heeft tegen permanente bewoning, nu bewoners tegen vergoeding een gedoogstatus is aangeboden, aldus appellanten.

2.58.2.    [appellant sub 5A] stelt in beroep ten slotte dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover een calamiteitenregeling en regels met betrekking tot het uiterlijk en de bouwkundige staat van woonschepen ontbreken.

Het standpunt van verweerder

2.59.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Woonschip W18 wordt volgens hem niet permanent bewoond. Wat betreft de recreatiewoningen is geen sprake van gelijke gevallen en is de regelgeving sinds 1995/1996 gewijzigd, aldus verweerder. Voorts liggen de woningen volgens hem in een kwetsbaar gebied, zodat op grond van het rijksbeleid permanente bewoning niet mogelijk is. Gelet hierop is volgens verweerder terecht gekozen voor de bestemming "Natuurgebied".

Vaststelling van de feiten

2.60.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.60.1.    Het Rustpunt is een schiereiland in de plas Het Wijde Blik, circa 2,7 hectare groot. Volgens het deskundigenbericht wordt ongeveer 85% van het terrein in beslag genomen door recreatiewoningen, terrassen, vlonderpaden, steigers, schuren en bergingen. Daar tussendoor liggen stroken moerasbos. Op het terrein bevinden zich acht recreatiewoningen en twee stacaravans en aan de wal zijn zeven woonschepen gelegen. Het terrein heeft volgens het deskundigenbericht weinig natuurgebied.

2.60.2.    In het plan heeft het terrein de bestemming "Natuurgebied" gekregen.

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Natuurgebied" aangewezen gronden bestemd voor doeleinden van natuur en landschap, zijnde het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van het gebied, voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en daaraan ondergeschikt voor extensieve natuurgerichte recreatie. Ter plaatse waar dit op de plankaart als zodanig is aangeven, zijn de gronden, voor zover thans van belang, mede bestemd voor een recreatiewoning en een ligplaats voor een permanent of recreatief woonschip.

   Ingevolge artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften mogen bij een recreatiewoning geen vrijstaande bijgebouwen worden opgericht en mag de oppervlakte van een recreatiewoning, met inbegrip van bijgebouwen, niet meer bedragen dan 30 m2. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan twee meter.

   Voor Het Rustpunt zijn tien medebestemmingen "Recreatiewoning" toegekend, aan zes woonschepen de medebestemming "Ligplaats voor permanent woonschip" en aan één woonschip, W18, de medebestemming "Ligplaats voor recreatief woonschip". Ingevolge artikel 27, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften, wordt onder verboden strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van recreatiewoningen, recreatieve woonschepen en stacaravans voor permanente bewoning.

2.60.3.    Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften, mag het gebruik van gronden dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemming in dit plan naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

   Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften, mag het gebruik van recreatiewoningen en ligplaatsen voor woonschepen en de daarbij behorende gronden, dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet voor zover het hierbij gaat om het gebruik als hoofdverblijf door bewoners die dit gebruik reeds uitoefenden voor de datum van tervisielegging.

   Ingevolge artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften, is het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.60.4.    Ingevolge artikel 34 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen bestaande bouwwerken, strijdig met het plan in geval van tenietgaan door een calamiteit, geheel worden herbouwd.

   Ingevolge artikel 1, onder 10, van de planvoorschriften, wordt onder bouwwerk verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.60.5.    De ligplaats voor woonschip W18 wordt door de eigenaar verhuurd aan een personeelsvereniging, die het woonschip gedurende het jaar verhuurt aan haar leden voor recreatief gebruik.

2.60.6.    Woning H2 wordt thans niet permanent bewoond.

2.60.7.    Woning [locatie 3] wordt vanaf 1986 permanent bewoond, sinds 2002 door appellanten [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H]. Aan de vorige bewoonster is een ontheffing verleend van het verbod om de woning permanent te bewonen. Voor 1986 bevond zich ter plaatse een ander huisje dat ook permanent werd bewoond.

2.60.8.    Woning H6 wordt thans niet permanent bewoond.

2.60.9.    Woning [locatie 4] wordt enige tientallen jaren door verschillende bewoners permanent bewoond, sinds 1996 door appellant [appellant sub 5I].

2.60.10.    Volgens het deskundigenbericht kan de bebouwing op Het Rustpunt niet worden aangemerkt als voortzetting van de bebouwing aan de Zuwe 19 en 21, omdat deze is gelegen op een schiereiland, de woningen met schuttingen zijn afgeschermd en het terrein een aparte ingang kent naast de jachthaven.

2.60.11.    Blijkens de reactie op de zienswijzen is het gemeentelijke beleid, overeenkomstig het rijksbeleid en het provinciaal beleid, gericht op het uitsluiten van nieuwe woningen in het buitengebied. Het gemeentebestuur heeft zich voorts aangesloten bij de beleidsbrief van de Minister van VROM van 11 november 2003 (TK 2003-2004, 29000 XI, nr. 22) en zijn brief aan de gemeenten van 17 november 2003 inzake permanente bewoning van recreatiewoningen. Volgens dit beleid is legaliseren van permanente bewoning van complexen van recreatiewoningen, voor zover thans van belang, mogelijk als de recreatiewoning al werd bewoond voor 31 oktober 2003 en deze niet is gelegen in een kwetsbaar gebied. Omdat Het Rustpunt een kwetsbaar gebied is, behoort het wijzigen in een woonbestemming niet tot de mogelijkheden, aldus de gemeenteraad. Voor alle andere gevallen dient in beginsel handhavend te worden opgetreden, maar tegen een persoonsgebonden beschikking heeft de Minister geen bezwaar.

2.60.12.    Het behouden van een recreatieve woonbestemming en handhavend optreden ligt volgens de gemeenteraad niet voor de hand vanwege de soms lange duur van de permanente bewoning.

2.60.13.    De gemeente heeft bewoners die voor 31 oktober 2003 al permanent in hun recreatiewoning woonden, de mogelijkheid geboden een gedoogstatus aan te vragen. Van die mogelijkheid hebben [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] gebruik gemaakt. Over deze gedoogstatus is nog niet beslist.

Het oordeel van de Afdeling

2.61.    Gelet op de ligging van Het Rustpunt in onder meer een SBZ en in de ecologische hoofdstructuur van de provincie heeft verweerder de bestemming "Natuurgebied" in redelijkheid passend kunnen achten. Aannemelijk is echter dat de bebouwingsmogelijkheden die deze bestemming biedt, geen recht doen aan de feitelijke situatie, omdat op Het Rustpunt bouwwerken aanwezig zijn waarvan kan worden betwijfeld of deze op grond van artikel 23, eerste en derde lid, van de planvoorschriften, zijn toegestaan. Mede vanwege het ontbreken op de plankaart van aanduiding van de aanwezige bebouwing kan dit op basis van de stukken ook niet worden nagegaan. Ter zitting heeft de gemeenteraad voorts gesteld dat het niet de bedoeling is dat deze bouwweken worden afgebroken. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   De beroepen van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.62.    Nu woonschip W18 wordt verhuurd voor recreatieve doeleinden, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het woonschip niet permanent wordt bewoond. Niet is gebleken dat andere woonschepen die recreatief worden gebruikt wel permanent mogen worden bewoond. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Aan het ontbreken van een regeling voor woonschepen heeft [appellant sub 5A] voorts geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat het woonschip permanent zou mogen worden bewoond. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de medebestemming "Ligplaats voor recreatief woonschip" voor woonschip W18 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat het woonschip geschikt is om permanent te worden bewoond en is gelegen tussen permanent bewoonde woonschepen en woningen, maakt dat niet anders. Het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] is in zoverre ongegrond.

2.62.1.    Vanwege het recreatieve gebruik van de woningen H2 en H6 bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat deze woningen ten onrechte zijn bestemd als recreatiewoning. Mede gelet op het deskundigenbericht is het standpunt dat de bebouwing van Het Rustpunt geen voortzetting is van de bebouwing aan de Zuwe redelijk, zodat de vergelijking met de woningen aan de Zuwe 19 en 21 niet slaagt. Ook het beleid om in het buitengebied geen nieuwe burgerwoningen toe te staan is redelijk. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de medebestemming "Recreatiewoning" voor de woningen H2 en H6 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De beroepen van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] zijn in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.62.2.    Door de medebestemming "Recreatiewoning" is permanente bewoning van de woningen [locatie 3] en [locatie 4] evenmin als zodanig bestemd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is met betrekking tot deze woningen evenwel niet uitgesloten dat permanente bewoning reeds is begonnen voordat het vorige plan onherroepelijk was. In dat geval is artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften, op deze woningen niet van toepassing en mag het gebruik als hoofdverblijf door de huidige bewoners worden voortgezet. Gebleken is dat verweerder dit niet heeft onderkend, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] is in zoverre gegrond en het beroep van [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.62.3.    Aangezien woonschepen niet zijn aan te merken als bouwwerken als bedoeld in de Woningwet is het innemen van een ligplaats voor een woonschip aan te merken als een vorm van gebruik. Als dat gebruik in strijd is met het plan is derhalve in beginsel het gebruiksovergangsrecht van toepassing. Mits de strijdigheid van dit gebruik naar aard en omvang niet wordt vergroot ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemming in dit plan, mag dat strijdige gebruik ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften, worden voortgezet of gewijzigd. Indien een woonschip teniet gaat door een calamiteit, is op het gebruik van de gronden als ligplaats voor een woonschip artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften van toepassing. De ligplaats kan derhalve in beginsel door een nieuw woonschip worden ingenomen. Verweerder heeft zich mitsdien in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een calamiteitenregeling voor woonschepen in het plan niet nodig is.

   Het beroep van [appellant sub 5A] is in zoverre ongegrond.

2.62.4.    Voor zover [appellant sub 5A] betoogt dat ten onrechte geen voorschriften omtrent uiterlijk en bouwkundige staat van woonschepen in het plan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat dit aspecten zijn die niet in een bestemmingsplan kunnen worden geregeld. Het beroep van [appellant sub 5A] is in zoverre ongegrond.

Moleneind 26A

Het standpunt van [appellant sub 7]

2.63.    [appellant sub 7] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" op een deel van het perceel Moleneind 26A. Op de desbetreffende strook grond heeft volgens hem altijd een stacaravan gestaan en is geen sprake van een natuurgebied. Onder het vorige plan had het dan ook de bestemming "Recreatieve doeleinden III", aldus appellant.

Het standpunt van verweerder

2.64.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.65.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.65.1.    In de noordoosthoek van het perceel van [appellant sub 7] aan het Moleneind 26A bevindt zich een stacaravan, die wordt gebruikt voor recreatief verblijf. Aan dit gedeelte van het perceel is de bestemming "Natuurgebied" toegekend. Een stacaravan is niet toegestaan.

2.65.2.    Bij besluit van 25 juni 1991 heeft verweerder goedkeuring verleend aan wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied I Het Wijde Blik". Bij die wijziging is aan het plandeel de bestemming "Recreatieve doeleinden III" toegekend. Ingevolge die bestemming waren, voor zover van belang, ten hoogste 7 caravans toegestaan. Op de plankaart was ter plaatse geen aanduiding opgenomen voor een stacaravan.

Het oordeel van de Afdeling

2.66.    Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom de bestaande stacaravan in de noordoosthoek van het perceel Moleneind 26A niet als zodanig in het plan is opgenomen. Verweerder en de gemeenteraad verwijzen wat betreft het beroep van [appellant sub 7] slechts naar de motivering die is gegeven voor de afwijzing van zijn verzoek om op een gedeelte van het perceel, grenzend aan het Moleneind, een bouwmogelijkheid voor een woning op te nemen. Dit betreft echter een ander gedeelte van het perceel en heeft geen betrekking op zijn wens om de bestaande stacaravan recreatief te mogen gebruiken. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

   Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

[locatie 5]

Het standpunt van [appellant sub 8]

2.67.    [appellant sub 8] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" aan zijn perceel aan het [locatie 5], voor zover negen en niet tien stacaravans zijn toegestaan.

Het standpunt van verweerder

2.68.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Volgens hem is in ruime mate toegekomen aan de wensen van appellant door ten opzichte van het vorige plan twee stacaravans meer en twee recreatiewoningen extra toe te staan. Nog een extra stacaravan is vanwege de ligging in kwetsbaar gebied niet toelaatbaar, aldus verweerder

Vaststelling van de feiten

2.69.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.69.1.    [appellant sub 8] exploiteert op het perceel [locatie 5] een camping. Op het perceel bevinden zich volgens appellant thans negen stacaravans en twee recreatiewoningen. Aan het perceel is de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" toegekend.

   Ingevolge artikel 19, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften, zal deze bestemming in totaal ruimte bieden aan ten hoogste negen standplaatsen voor stacaravans en ten hoogste twee recreatiewoningen.

   In het ontwerpbestemmingsplan waren één recreatiewoning en tien stacaravans toegestaan. Omdat op het perceel op grond van het overgangsrecht al een tweede recreatiewoning was toegestaan, heeft de gemeenteraad het plan gewijzigd vastgesteld en twee recreatiewoningen en negen stacaravans mogelijk gemaakt. De tweede recreatiewoning bevindt zich op het plandeel dat is aangeduid als "zone voor stacaravans".

2.69.2.    In het vorige plan was aan de gronden de bestemming Recreatieve doeleinden III" toegekend. Op grond van die bestemming waren, voor zover van belang, 7 caravans toegestaan.

2.69.3.    Volgens het deskundigenbericht wenst appellant een tiende stacaravan te plaatsen op de plek waar nu een aantal parkeerplaatsen aanwezig is.

Het oordeel van de Afdeling

2.70.    Uit de stukken is af te leiden dat appellant zijn camping in de loop der tijd in strijd met het vorige bestemmingsplan heeft uitgebreid tot in totaal negen stacaravans en twee recreatiewoningen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitbreiding met nog één stacaravan noodzakelijk is voor de continuïteit van de bedrijfsvoering. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijkheden voor appellant ten opzichte van het vorige plan in voldoende mate zijn verruimd en dat geen aanleiding bestond om dit geval meer dan de bestaande situatie als zodanig in het plan op te nemen. De omstandigheid dat in het ontwerpbestemmingsplan wel tien stacaravans waren toegestaan en dat een standplaats is geruild tegen een positieve bestemming voor een bestaande recreatiewoning, maakt dat niet anders. Deze recreatiewoning bevindt zich immers in het gebied dat is aangeduid als "zone voor stacaravans". Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is derhalve in het aantal bouwwerken dat kan worden benut voor verblijfsrecreatie geen verandering gebracht. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.71.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van Intratuin, [appellanten sub 3], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I], de Vechtplassencommissie en [appellant sub 7] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 4] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F] en [appellant sub 8] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de Vechtplassencommissie niet-ontvankelijk voor zover het betreft de goedkeuring van de medebestemming "Ligplaats voor permanent woonschip" achter Moleneind 78;

II.    verklaart het beroep van de Intratuin niet-ontvankelijk voor zover het betreft de goedkeuring van artikel 11, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] niet-ontvankelijk, behoudens voor zover het betreft de goedkeuring van de bestemming "Natuurgebied" van Het Rustpunt en de medebestemming "Recreatiewoning" van hun woning H6 aldaar;

IV.    verklaart het beroep van [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F] niet-ontvankelijk, behoudens voor zover het betreft de goedkeuring van de medebestemming "Recreatiewoning" van hun woning H2 op Het Rustpunt;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] niet-ontvankelijk, behoudens voor zover het betreft de goedkeuring van de medebestemming "Recreatiewoning" van hun woning [locatie 3] op Het Rustpunt;

VI.    verklaart het beroep van [appellant sub 5I] niet-ontvankelijk, behoudens voor zover het betreft de goedkeuring van de medebestemming "Recreatiewoning" van zijn woning [locatie 4] op Het Rustpunt;

VII.    verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 7] geheel gegrond;

VIII.    verklaart het beroep van Intratuin, voor zover ontvankelijk, gegrond;

IX.    verklaart het beroep van [appellanten sub 3] gegrond, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan de westzijde van jachthaven Brugzicht en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Zuwe 20B;

X.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 3] en de Vechtplassencommissie gegrond, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Jachthaven" aan het Moleneind tussen nummers 2 en 4, voor zover daarop een bouwvlak is ingetekend met de aanduiding * voor een bedrijfsgebouw ten behoeve van de in- en verkoop en reparatie van tuin- en parkmachines, watersportartikelen, gereedschappen en aanverwante artikelen en het plandeel met de bestemming "Jachthaven" tussen jachthaven Kortenhoef en jachthaven Brugzicht;

XI.    verklaart het beroep van de Vechtplassencommissie gegrond, voor zover het betreft de goedkeuring van de aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt" op het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan Moleneind 78;

XII.    verklaart het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] gegrond, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan Het Rustpunt;

XIII.    verklaart het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] gegrond, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de medebestemming "Recreatiewoning" van de woningen [locatie 3] aan Het Ruspunt;

XIV.    verklaart het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 5I] gegrond, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de medebestemming "Recreatiewoning" van de woningen [locatie 4] aan Het Ruspunt;

XV.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 3], de Vechtplassencommissie, [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D] en voor het overige ongegrond;

XVI.    verklaart de beroepen van [appellant sub 5E] en [appellant sub 5F], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

XVII.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 8] geheel ongegrond;

XVIII.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 13 september 2005, kenmerk 2005-10872, voor zover het betreft de goedkeuring van

a. het plandeel met de bestemming "Tuincentrum" aan de Kromme Rade 2A;

b. artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften;

c. artikel 11, derde lid, onder f, van de planvoorschriften;

d. het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan de westzijde van jachthaven Brugzicht, zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart I;

e. het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Zuwe 20B, zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart II;

f. het plandeel met de bestemming "Jachthaven" aan het Moleneind tussen nummers 2 en 4, voor zover daarop een bouwvlak is ingetekend met de aanduiding * voor een bedrijfsgebouw ten behoeve van de in- en verkoop en reparatie van tuin- en parkmachines, watersportartikelen, gereedschappen en aanverwante artikelen;

g. het plandeel met de bestemming "Jachthaven" tussen jachthaven Kortenhoef en jachthaven Brugzicht, zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart III;

h. de aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt" op het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan Moleneind 78;

i. het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan Moleneind 78;

j. het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan de Kromme Rade tussen nummers 8 en 9, zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart IV;

k. het plandeel met de bestemming "Opslag" aan de Kromme Rade tussen nummers 8 en 9;

l. het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan Het Rustpunt;

m. de medebestemming "Recreatiewoning" van de woningen [locatie 3] en [locatie 4] op Het Rustpunt;

n. het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan het Moleneind 26A, zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende kaart I;

XIX.    onthoudt goedkeuring aan de onder XVIII sub a, b en c genoemde planonderdelen;

XX.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit betrekking heeft op de onder XIX genoemde planonderdelen;

XXI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij Intratuin in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 851,63 (zegge: achthonderdeenenvijftig euro en drieënzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan Intratuin onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,73 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en drieënzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellanten sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] gezamenlijk in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] gezamenlijk onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de Vechtplassencommissie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 67,76 (zegge: zevenenzestig euro en zesenzeventig cent); het dient door de provincie Noord-Holland aan de Vechtplassencommissie onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 7] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

XXII.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor Intratuin en de Vechtplassencommissie elk en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 7] ieder en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 5C] en [appellant sub 5D], [appellant sub 5G] en [appellant sub 5H] en [appellant sub 5I] gezamenlijk vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel             w.g. Bosnjakovic

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

410

plankaart 1

plankaart 2

plankaart 3

plankaart 4