Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200602325/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2003 heeft de raad van de gemeente Tubbergen (hierna: de gemeenteraad) appellant ter vergoeding van planschade € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2002, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2007, 8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602325/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/88 van de rechtbank Almelo van 13 februari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Tubbergen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2003 heeft de raad van de gemeente Tubbergen (hierna: de gemeenteraad) appellant ter vergoeding van planschade € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2002, toegekend.

Bij besluit van 1 december 2003 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 mei 2006 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. D. Pool, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Zwolle, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door H.W. Hueck, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    Appellant is eigenaar en bewoner van het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: woonperceel). Hij heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd schade te lijden ten gevolge van het bestemmingsplan "Steenbrei" (hierna: het bestemmingsplan), dat de bouw van nieuwe woningen nabij het woonperceel planologisch mogelijk maakt.

2.3.    De gemeenteraad heeft het verzoek om planschadevergoeding voor advies voorgelegd aan Walgemoed, Beheer & Taxatie B.V. (hierna: Walgemoed). Deze heeft in haar advies van 5 november 2002 (hierna: advies van Walgemoed) geadviseerd appellant een planschadevergoeding toe te kennen ten bedrage van € 12.500,00. Walgemoed heeft haar advies in reactie op zienswijzen nader toegelicht bij schrijven van 4 februari 2003. De gemeenteraad heeft overeenkomstig het advies van 5 november 2002 besloten.

2.4.    De rechtbank heeft advies gevraagd aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB). Deze heeft in haar advies van 15 augustus 2005 (hierna: StAB-advies) te kennen gegeven - voor zover hier van belang - de opvatting van Walgemoed te delen dat appellant ten gevolge van het bestemmingsplan schade heeft geleden en dat de omvang van de schade beoordeeld dient te worden aan de hand van de factoren uitzicht, verkeer, privacy en situeringwaarde, met dien verstande dat de schade hoofdzakelijk is veroorzaakt door vermindering van uitzicht. De StAB heeft de waardedaling van het woonperceel op € 18.000,00 getaxeerd.

   De rechtbank heeft geoordeeld dat nu Walgemoed en de StAB de waardevermindering op basis van dezelfde uitgangspunten hebben bepaald en het verschil uitsluitend de waardering van de hoogte van de schade betreft, niet kan worden gezegd dat de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het advies van Walgemoed heeft kunnen baseren. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat het advies van Walgemoed op onjuiste wijze tot stand is gekomen of dat daarin van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de verschillen in de taxaties van Walgemoed en de StAB dermate groot zijn dat die niet kunnen worden geschaard onder de marges die verbonden zijn aan het taxeren van onroerend goed en daarom nadere motivering behoeven. Hij stelt dat het StAB-advies zijn in de bezwaarfase geleverde kritiek op het advies van Walgemoed bevestigt. Volgens hem volgt uit het StAB-advies dat Walgemoed de planologische verslechtering ten onrechte als "licht" heeft beoordeeld. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat dit betekent dat het advies van Walgemoed op onjuiste wijze tot stand is gekomen dan wel dat daaraan verkeerde uitgangspunten ten grondslag zijn gelegd, zodat de gemeenteraad dat advies niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen.

2.5.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat Walgemoed en de StAB in hun onderscheidenlijke adviezen van dezelfde uitgangspunten zijn uitgegaan en bij de taxaties dezelfde schadefactoren hebben betrokken. Zij heeft echter miskend dat onder die omstandigheden niet zonder meer begrijpelijk is dat Walgemoed de waardedaling van het woonperceel ten gevolge van het bestemmingsplan aanzienlijk lager heeft getaxeerd dan de StAB heeft gedaan. De gemeenteraad heeft zijn zienswijze op het StAB-advies als bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb, bij brief van 21 oktober 2005 naar voren gebracht. Naar het oordeel van de Afdeling had de gemeenteraad in het StAB-advies aanleiding moeten zien om de taxatie van Walgemoed nader te motiveren. Dat had bijvoorbeeld gekund door Walgemoed te vragen in een nader advies uiteen te zetten op welke wijze tot die taxatie is gekomen en welke maatstaven daarbij zijn gehanteerd. In zijn zienswijze - en ook anderszins - is de gemeenteraad echter niet, althans onvoldoende, op het verschil in taxaties tussen Walgemoed en de StAB ingegaan om tot de conclusie te kunnen komen dat de taxatie van Walgemoed zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag had kunnen worden gelegd. Dit besluit is dan ook, gegeven het door de rechtbank ingewonnen deskundigenadvies, onvoldoende gemotiveerd en had door de rechtbank om die reden dienen te worden vernietigd. Het betoog van appellant treft doel.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van appellant alsnog gegrond verklaren en het besluit van 1 december 2003 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De gemeenteraad dient met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

2.7.    De gemeenteraad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 februari 2006 in zaak no. 04/88;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 1 december 2003, kenmerk 12/7052;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Tubbergen aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Tubbergen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 344,00 (zegge: driehonderdvierenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek          w.g. Dallinga

Voorzitter           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

18-507.