Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200601319/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ7365
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) geweigerd aan appellante een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een erker op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601319/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/1344 van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Loenen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) geweigerd aan appellante een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een erker op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2006, verzonden op 16 januari 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. D. Schilstra, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. de Smet, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat in weerwil van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Singel" (hierna: het bestemmingsplan) het plaatsen van een erker op de door haar gekozen plek door het volgen van de welstandsadviezen onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank heeft dit volgens haar miskend.

2.2.    Het perceel heeft ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Tuinen".

   Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op gronden met de bestemming "Tuinen" uitsluitend bergkasten, hobbykassen, tuinkoven, erfafscheidingen, pergola's en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen de bouwgrenzen in afwijking van de kaart en hoofdstuk II uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende erkers, mits de overschrijding niet meer dan 1.50 m bedraagt.

2.3.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

   Ingevolge artikel 12a, eerste, onderdeel a, van de Woningwet, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.4.    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 12a van de Woningwet heeft de raad van de gemeente Loenen een welstandsnota vastgesteld, waarin voor het gebied Vreeland zogenoemde "Loketcriteria" zijn opgenomen. In de criteria op "gebiedsniveau" is onder meer vermeld dat de wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking dienen te worden afgestemd op het hoofdvolume of ensemble. In de criteria voor "kleine plannen" is vermeld dat de aan- of uitbouw de samenhang en ritmiek van het bouwblok niet mag aantasten.

2.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 18 februari 2000 in zaak no. H01.99.0457 (AB 2000, 186), dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Het bestemmingsplan is het wettelijke instrument waarmee, langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, niet alleen aan gronden een bestemming wordt gegeven maar ook de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden bepaald. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dient te worden gehanteerd.

   Naar mate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om de bouw te realiseren, zijn burgemeester en wethouders - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - vrijer in hun welstandsbeoordeling en zal deze minder snel geacht worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

   Met artikel 12, derde lid, van de Woningwet, dat op 1 januari 2003 in werking is getreden, is beoogd aan te sluiten bij de in deze vaste jurisprudentie neergelegde voorrang van het bestemmingsplan.

2.6.    Het primaat van het bestemmingsplan gaat echter niet zover dat geen ruimte meer is voor een negatief welstandsoordeel, indien het ingediende bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Als echter moet worden vastgesteld dat verwezenlijking van uitdrukkelijk in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden geheel onmogelijk wordt gemaakt dienen de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven.

2.7.    In de welstandsadviezen van 22 november 2004 en 6 januari 2005 die het college aan zijn beoordeling ten grondslag heeft gelegd, is vermeld dat het bouwplan voorziet in het plaatsen van een erker aan de voorzijde van de woning op het perceel. Volgens deze adviezen maakt de woning deel uit van een ensemble van halfvrijstaande en vrijstaande woningen, die geschakeld zijn middels de garages. Aan het plaatsen van erkers aan de voorzijde van dit woningtype zou geen medewerking moeten worden verleend.

2.8.    Uit artikel 5 van de planvoorschriften kan worden afgeleid dat de planwetgever heeft beoogd de bouw van een erker aan de voorzijde van de woning uitdrukkelijk toe te staan. De welstandsadviezen maken het onmogelijk aan de voorkant van de woning een erker te bouwen. Een verwezenlijking van de door het bestemmingsplan uitdrukkelijk toegestane bouwmogelijkheid wordt door het volgen van de welstandsadviezen belemmerd. De in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria, die ten grondslag zijn gelegd aan voormelde welstandsadviezen, dienen in dit geval op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend en is derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het college de grenzen van de welstandstoets niet heeft overschreden door de adviezen van de welstandscommissie te volgen. De beslissing op bezwaar is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog van appellante slaagt.

2.9.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 mei 2005 van het college alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2006 in zaak no. SBR 05/1344;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Loenen van 2 mei 2005;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Loenen tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Loenen aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Loenen aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump             w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

17-430.