Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
200601051/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Namens appellant (hierna: het dagelijks bestuur) is [wederpartij] medegedeeld dat het dagelijks bestuur heeft besloten tot het met toepassing van bestuursdwang onverwijld staken van het gebruik van het pand aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) wegens bouwvalligheid en gedeeltelijk slopen van het pand. Dit besluit is naderhand, op 29 juli 2004, op schrift gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601051/1.

Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1156 van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Namens appellant (hierna: het dagelijks bestuur) is [wederpartij] medegedeeld dat het dagelijks bestuur heeft besloten tot het met toepassing van bestuursdwang onverwijld staken van het gebruik van het pand aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) wegens bouwvalligheid en gedeeltelijk slopen van het pand. Dit besluit is naderhand, op 29 juli 2004, op schrift gesteld.

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2005, verzonden op 28 december 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 31 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 april 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2006, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. G.A. Verburg, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te oordelen over de spoedeisendheid van de sloop en het staken van het gebruik, terwijl [wederpartij] zich in bezwaar niet tegen dit onderdeel van het besluit in primo heeft gekeerd.

2.1.1.    [wederpartij] heeft in bezwaar aangegeven zich te keren tegen het kostenverhaal. Zijn stelling dat het aangezegde kostenverhaal niet redelijk is, hield direct verband met de vraag of een termijn behoorde te worden gegund om aan de last te voldoen en betreft, anders dan het dagelijks bestuur aanvoert, geen onderdeel van het besluit dat geheel los staat van het onderdeel waartegen het gemaakte bezwaar zich richtte. De rechtbank is dan ook terecht ingegaan op het betoog van [wederpartij] dat kostenverhaal onredelijk is nu de situatie niet dermate spoedeisend was dat het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kon overgaan tot sloop.

2.2.    Voorts betoogt het dagelijks bestuur dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in dit geval omstandigheden aanwezig zijn die het dagelijks bestuur hadden moeten nopen tot het gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. Daartoe voert het dagelijks bestuur aan dat [wederpartij] een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de bouwkundige staat van het pand en de daaraan klevende gebreken en dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, sprake was een spoedeisende situatie.

2.2.1.    Dat betoog faalt. Gezien de voorgeschiedenis, waarbij de besluitvorming over het verzoek tot aanwijzing van het pand als beschermd monument enkele jaren is vertraagd door het uitblijven van een advies van de stadsdeelraad daarover, werpt het dagelijks bestuur [wederpartij] ten onrechte tegen dat hij eerst op 3 april 2002 een aanvraag om vergunning om een beschermd monument af te breken als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 heeft ingediend. Evenmin kan [wederpartij] worden verweten dat hij, nadat derden tegen het verlenen van deze vergunning bezwaar hadden gemaakt, niet heeft verzocht de opschorting van de werking van deze vergunning op te heffen.

   Voorts heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat door het dagelijks bestuur niet aannemelijk is gemaakt dat de situatie dermate spoedeisend was dat [wederpartij] niet door middel van een op korte termijn uit te voeren bestuursdwangaanschrijving dan wel last onder dwangsom in de gelegenheid had kunnen worden gesteld het pand zelf te slopen. Nu [wederpartij] reeds sinds 1999 sloop nastreeft, lag niet in de rede dat hij daartoe niet zou overgaan. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Aannemelijk is dat de kosten die zijn ontstaan doordat het dagelijks bestuur met spoed bestuursdwang heeft toegepast, aanmerkelijk hoger zijn dan indien [wederpartij] de maatregelen die zijn genoemd in het op 29 juli 2004 op schrift gestelde besluit zelf had getroffen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het dagelijks bestuur onder die omstandigheden ten onrechte geen aanleiding heeft gezien een uitzondering te maken op de regel dat kosten van de toepassing van bestuursdwang geheel voor rekening van de overtreder komen.

2.3.    Het dagelijks bestuur heeft voorts betoogd dat de rechtbank door in te gaan op de vraag welke kosten het dagelijks bestuur in redelijkheid kan verhalen, heeft miskend dat die beoordeling dient plaats te vinden in de verzetprocedure inzake de invordering van de voor de toepassing van de bestuursdwang gemaakte kosten.

2.3.1.    Dat betoog faalt. De rechtbank heeft geen oordeel gegeven over de hoogte van de door het dagelijks bestuur gemaakte kosten, doch zich, in het kader van de beoordeling welke kosten het dagelijks bestuur in redelijkheid op [wederpartij] kan verhalen, beperkt tot de begroting van de kosten die [wederpartij] zou hebben moeten maken, indien hij de geëiste maatregelen zelf zou hebben getroffen. Deze beperking van de mogelijkheid van het kostenverhaal is op zichzelf juist.

2.3.2.    Het dagelijks bestuur betoogt terecht dat de rechtbank daarbij niet had mogen afgaan op de door [wederpartij] in beroep overgelegde offertes, nu daaruit niet rechtstreeks valt af te leiden welke kosten [wederpartij] zou hebben moeten maken bij het slopen van het in opdracht van het dagelijks bestuur gesloopte deel van het pand. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank, zij het op deels onjuiste gronden, terecht het besluit op bezwaar van 10 februari 2005 heeft vernietigd.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. Nu het dictum juist is, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, met verbetering van gronden waarop deze rust. Het dagelijks bestuur dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5.    Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden     waarop deze rust;

II.    draagt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum     op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

III.    veroordeelt het dagelijks bestuur tot vergoeding van bij [wederpartij] in     verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen kosten     tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen     aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient     door het stadsdeel Amsterdam-Centrum aan J. [wederpartij] onder     vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Lodder

Voorzitter   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

17-499.