Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2006
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
200605686/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosovo / toegang medische zorg / artikel 3 EVRM.

De vreemdelingen hebben in beroep betoogd dat de minister, door geen onderzoek te doen naar de feitelijke toegankelijkheid van de benodigde zorg in strijd met artikel 3 EVRM heeft gehandeld. Zoals de Afdeling onder meer in de uitspraak 200301121/1 d.d. 11 april 2003 heeft overwogen dient een vreemdeling, indien hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, een aanvraag ex artikel 28 Vw 2000 in te dienen. Nu het beroep van de vreemdelingen zich niet richt tegen besluiten op een dergelijke aanvraag zal de Afdeling artikel 3 EVRM niet in de beoordeling betrekken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605686/1.

Datum uitspraak: 29 november 2006

RAADVAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/48470 en 05/48473 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 5 juli 2006 in de gedingen tussen:

[vreemdelingen], mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 25 juni 2003 heeft appellant (hierna: de minister) aanvragen van [vreemdelingen] (hierna: de vreemdelingen), mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen, om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 25 oktober 2005 heeft de minister de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juli 2006, verzonden op 6 juli 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 augustus 2006 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste en tweede grief, gelezen in hun onderlinge samenhang, klaagt de minister onder meer dat de rechtbank, door te overwegen dat - samengevat weergegeven - nu voor de vreemdelingen in de statenunie Servië en Montenegro slechts behandeling in Kosovo resteert en de behandelmogelijkheden in Kosovo voor patiënten die lijden aan een posttraumatisch stresssyndroom zeer gering zijn, hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van de vreemdelingen bij terugkeer naar het land van herkomst bij uitblijven van behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie zal ontstaan, heeft miskend dat omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen volgens onderdeel B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) geen grond kunnen opleveren de vreemdelingen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, zonder dat zij over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf beschikken.

2.1.1. Volgens dat onderdeel, voor zover thans van belang, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling in verband met zijn gezondheidstoestand niet in staat kan worden geacht de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf in het land van herkomst af te wachten. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen, worden, in aansluiting op het gestelde onder B8/4 van de Vc 2000, niet betrokken bij de beoordeling, aldus dat onderdeel.

2.1.2. In de besluiten van 25 oktober 2005 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen in staat worden geacht de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf in het land van herkomst af te wachten. Aan dat standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat, nu uit twee adviezen van het Bureau Medische Advisering van 22 maart 2005 valt af te leiden dat de voor behandeling van de psychische klachten van de vreemdelingen benodigde medische voorzieningen in het land van herkomst aanwezig zijn, geen medische noodsituatie op korte termijn zal optreden. Bij dat standpunt heeft hij voorts, onder verwijzing naar onderdeel B1/1.2.1 van de Vc 2000, de door de vreemdelingen gestelde omstandigheden met betrekking tot de feitelijke toegankelijkheid van de medische voorzieningen uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten.

2.1.3. Door aan te nemen dat, gezien de door haar aangehaalde informatie in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 juli 2005, de medische voorzieningen in Servië en Montenegro, exclusief Kosovo, voor personen uit Kosovo, als de vreemdelingen zijn, feitelijk niet toegankelijk zijn, heeft de rechtbank de betekenis van onderdeel B1/1.2.1 van de Vc 2000 miskend. Dat, naar de rechtbank heeft overwogen, de minister ter zitting niet heeft weersproken dat de vreemdelingen, naar zij onder verwijzing naar dat ambtsbericht hebben gesteld, in dat deel van het land van herkomst aan hun lot worden overgelaten, laat onverlet dat, naar hij in de besluiten heeft gesteld, de benodigde medische voorzieningen in dat deel van het land van herkomst aanwezig zijn. Voor zover die voorzieningen feitelijk niet toegankelijk zijn, speelt dat, volgens het ter zake gevoerde beleid, geen rol bij de beoordeling van de aanvragen.

De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 25 oktober 2005 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.2.1. Voor zover de vreemdelingen hebben bedoeld te betogen dat, gezien de informatie in het in beroep overgelegde rapport van de United Nations Interim Administration Mission in Kosovo (hierna: de UNMIK) van juli 2005, de voor behandeling van een posttraumatisch stresssyndroom benodigde medische voorzieningen in Kosovo ontoereikend zijn, faalt dat betoog, aangezien uit de adviezen van het Bureau Medische Advisering van 22 maart 2005 valt af te leiden dat zij voor psychiatrische behandeling in twee instellingen te Pristina (Kosovo) terecht kunnen en met dat rapport geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de informatie in deze adviezen zijn gegeven. Voor zover uit het rapport van de UNMIK valt af te leiden dat in Kosovo onvoldoende capaciteit bestaat om aan de hulpvraag te voldoen, heeft het betrekking op de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg en kan het, gelet op het ter zake door de minister gevoerde beleid, niet tot het oordeel leiden dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf in Kosovo kunnen afwachten.

2.2.2. De vreemdelingen hebben in beroep voorts betoogd dat de minister, door geen onderzoek te doen naar de feitelijke toegankelijkheid van de benodigde zorg, in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft gehandeld.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 april 2003 in zaak no. 200301121/1, JV 2003/225), dient een vreemdeling, indien hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 in te dienen.

Nu het beroep van de vreemdelingen zich niet richt tegen besluiten op een aanvraag, als hiervoor bedoeld, zal de Afdeling artikel 3 van het EVRM niet in de beoordeling betrekken.

2.2.3. Anders dan de vreemdelingen stellen, bevatten de besluiten van

25 oktober 2005 geen beslissingen op de aan de minister gerichte verzoeken om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en de vreemdelingen een verblijfsvergunning te verlenen. Uit de stukken valt overigens ook af te leiden dat deze verzoeken reeds lang zijn afgedaan. Voor doorzending van het op die verzoeken betrekking hebbende gedeelte van de tegen de besluiten van 25 oktober 2005 gerichte beroepschriften ter behandeling als bezwaarschrift aan de minister is geen grond.

2.2.4. Gelet op het vorenstaande, zal de Afdeling de inleidende beroepen alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 5 juli 2006 in de zaken nos. AWB 05/48470 en 05/48473;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2006

452

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak