Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200601749/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) aan de Stichting Moslims Ede (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een sociaal-cultureel centrum/moskee op het perceel Peppelensteeg ongenummerd te Ede (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Provinciewet
Provinciewet 136
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/3
JOM 2008/813
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601749/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Initiatief Vereniging Peppelensteeg, [appellanten], gevestigd respectievelijk wonend te Ede,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/2814 en 05/3003 van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2006 in het geding tussen:

1.    het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van het Pallas Athene College, gevestigd te Ede,

2.    appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) aan de Stichting Moslims Ede (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een sociaal-cultureel centrum/moskee op het perceel Peppelensteeg ongenummerd te Ede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft het college de daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en het door Initiatief Vereniging Peppelensteeg gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 7 juli 2006 heeft vergunninghoudster, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten, vergunninghoudster en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [appellant], voorzitter, en het college, vertegenwoordigd door H. Aarnink, ing. I. de Jonge en H.H. van den Berg, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A.P. van Delden, advocaat te Leiden.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting is het door [appellant] en [appellant] ingestelde hoger beroep ingetrokken. In verband hiermede wordt in het navolgende onder appellante verstaan: de Initiatief Vereniging Peppelensteeg.

2.2.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende - voor wie ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 bezwaar en beroep openstaat - verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak no. 200507730/1 (AB 2006, 365) komt een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. Blijkens artikel 3, eerste lid, van haar statuten stelt appellante zich ten doel het beschermen en behartigen van de belangen van de bewoners van de (koop)woningen in Ede in de wijk Veldhuizen B, de zogenaamde Dalenwijk en omstreken, met name die op het gebied van de ruimtelijke ordening en de woon- en leefomgeving in de bedoelde wijk en daar omheen, zulks in de ruimste zin van het woord. Uit het tweede lid van dit artikel blijkt dat de vereniging dit doel onder meer tracht te bereiken door het beleggen van bijeenkomsten, het stimuleren en ontwikkelen van beleids- en ideeënvorming, het verstrekken van informatie, het deelnemen aan overleg met overheden en andere organisaties en instellingen, het voeren van acties en het opkomen voor de belangen van haar leden, daaronder begrepen het (doen) voeren van inspraak-, bestuurs- en civielrechtelijke procedures, alsmede door alle overige middelen die bevorderlijk zijn voor verwezenlijking van de doelstelling.

   Nu het perceel slechts door de Koekeltse Rondweg is gescheiden van de Dalenwijk heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ruimtelijke invloed van de in het geding zijnde vrijstelling en bouwvergunning geacht kan worden zich mede uit te strekken tot de woon- en leefomgeving van de wijk Veldhuizen B. Derhalve heeft de rechtbank, anders dan vergunninghoudster betoogt, terecht geoordeeld dat het college terecht appellante als belanghebbende bij het primaire besluit heeft aangemerkt.

2.4.    Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming. Teneinde de realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.5.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Volgens appellante blijkt uit de brief van 4 januari 2005 van het college van gedeputeerde staten van Gelderland dat als gevolg van een beleidswijziging het niet meer mogelijk is om bedoelde vrijstelling te verlenen voor projecten die passen binnen een  bestemmingsplan waarover de provinciale diensten en de inspecteur VROM positief hebben geadviseerd.

2.5.1.    Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan kan worden gerangschikt onder categorie 2 van de vrijstellingslijst, behorend bij genoemde brief van 4 januari 2005. Het bouwplan heeft immers een bijzondere doeleindenfunctie, ligt niet op een bedrijventerrein en is evenmin in strijd met het locatie/mobiliteitsbeleid. Voorts is het bouwplan, anders dan appellante betoogt, gesitueerd op een locatie die voldoet aan de in de vrijstellingslijst gegeven omschrijving van inbreidingslocatie. Dat het perceel buiten het centrum is gelegen, maakt niet dat het geen binnenstedelijke locatie betreft. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat uit de algemene voorwaarden bij deze lijst blijkt dat voor dit plan geen verklaring van geen bezwaar is vereist. Voorts is de vrijstellingslijst op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO van 4 januari 2005 in het provinciaal blad van 6 januari 2005 (nr. 2005/1) bekendgemaakt en met ingang van de achtste dag na die van publicatie in werking getreden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het provinciaal blad niet, zoals bepaald in artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet, algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. De door appellante voorgestane publicatie in een huis-aan-huis blad is geen wettelijke verplichting. Voormelde vrijstellingslijst heeft derhalve, anders dan appellante betoogt, verbindende kracht gekregen. Nu de beslissing op bezwaar dateert van na de inwerkingtreding van het nieuwe provinciaal beleid inzake vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat reeds op grond daarvan ten tijde van de beslissing op bezwaar een toereikende basis aanwezig was voor een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.6.    Voorts betoogt appellante tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat, nu voor realisering van het bouwplan een wijziging van de bestemming nodig is, het college geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid van artikel 19, tweede lid, van de WRO, maar had moeten kiezen voor de met meer waarborgen omklede mogelijkheid tot vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de WRO. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 juni 2004 in zaak no. 200306687/1 (BR 2005, p.29) biedt de tekst van artikel 19, tweede lid, van de WRO noch de parlementaire geschiedenis aanknopingspunten voor het oordeel dat het tweede lid niet ziet op grote projecten die een wijziging van de bestemming inhouden. De procedure van artikel 19 van de WRO is juist bedoeld als gelijkwaardig alternatief voor de reguliere planherziening van artikel 10 van de WRO.

2.7.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte de ruimtelijke onderbouwing voldoende heeft geacht, daar het bouwplan een aanzienlijke inbreuk maakt op de bestaande planologische situatie en het college de door de provincie, blijkens de brief van 10 september 2003 geschreven naar aanleiding van het over het voorontwerp bestemmingsplan gevoerde overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, gewenste aanpassingen niet heeft gerealiseerd.

2.7.1.    Ook dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de algemene kanttekeningen die de provinciale diensten naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan in hun brief van 10 september 2003 hebben gemaakt niet specifiek het bouwplan betreffen en dat deze kanttekeningen door de raad van de gemeente Ede meegenomen zullen worden bij de voorbereiding en de vaststelling van het nieuwe, het gehele gebied omvattende, bestemmingsplan "Omgeving Peppelensteeg".

   Voorts wordt de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan gevormd door dit voorontwerp bestemmingsplan. In de ruimtelijke onderbouwing wordt erop gewezen dat het voorontwerp bestemmingsplan enige andere functies toevoegt aan de voor het plangebied geldende bestemming "Recreatieve doeleinden" en mogelijkheden biedt maatschappelijke, recreatieve en commerciële functies ter plaatse verder uit te bouwen. Inmiddels zijn voorzieningen die buiten de sportieve/recreatieve sfeer vallen aanwezig, te weten een scholengemeenschap en een overstortbassin, terwijl het ruimtelijk beleid erop is gericht ter plaatse de mengvorm van functies voort te zetten. Het college heeft dan ook gemotiveerd aangegeven dat het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De rechtbank heeft gelet daarop met juistheid geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing aan de daaraan op grond van artikel 19 WRO te stellen eisen voldoet.

2.8.    Haar betoog dat de hoogte van het bouwwerk onevenredig afbreuk doet aan het woongenot van haar leden en haar opmerkingen met betrekking tot de geluidsoverlast heeft appellante eerst in hoger beroep aangevoerd, hetgeen in strijd met de functie van het hoger beroep wordt geoordeeld. Van omstandigheden die het verontschuldigbaar maken dat deze gronden niet eerder zijn aangevoerd, is niet gebleken, zodat deze gronden buiten beschouwing dient te blijven.

2.9.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich niet in redelijkheid op de parkeerstudie van Goudappel Coffeng van 5 december 2003 en de aanvullende parkeerstudie van Goudappel Coffeng van 17 juni 2005 heeft mogen baseren, nu zij na het verschijnen van laatstgenoemde parkeerstudie niet opnieuw is gehoord. Dit betoog van appellante slaagt.

2.9.1.    Ingevolge artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

2.9.2.    Zoals het college in de beslissing op bezwaar heeft vermeld, is in de ruimtelijke onderbouwing niet naar de juiste parkeerstudie verwezen. Het college heeft voorts in de bezwaren aanleiding gezien om een aanvullende parkeerstudie uit te laten voeren. Het college heeft in de beslissing op bezwaar nadrukkelijk mede verwezen naar deze aanvullende parkeerstudie, zodat deze naar het oordeel van de Afdeling is aan te merken als na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feiten en omstandigheden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang zijn geweest. Nu appellante niet in de gelegenheid is gesteld over de aanvullende parkeerstudie te worden gehoord, is de beslissing op bezwaar genomen in strijd met artikel 7:9 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.10.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover betrekking hebbende op het beroep van appellante. De Afdeling is evenwel van oordeel dat aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 juni 2005 in stand blijven, zodat het college niet een nieuw besluit hoeft te nemen. Daartoe overweegt de Afdeling dat er geen grond is voor het college om een nieuw besluit te nemen met een andere inhoud dan het besluit van 29 juni 2005, gelet op de navolgende overwegingen.

2.11.    Appellante heeft in beroep gronden ingebracht tegen de aanvullende parkeerstudie, waarover de rechtbank heeft geoordeeld. Anders dan appellante in hoger beroep betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, nu appellante geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd en ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat genoemde parkeerstudies naar inhoud of wijze van totstandkoming gebrekkig zijn, het college deze rapporten aan zijn standpunt omtrent de parkeerdruk als gevolg van de realisering van het bouwplan ten grondslag mocht leggen. De verwijzing van appellante naar de uitspraak van de rechtbank van 11 januari 2006 in zaak nos. AWB 04/2778, 04/3022 en 05/1297 inzake een andere locatie voor het bouwplan, waarin een rapport, hoewel geen deskundigenrapport, als deskundig tegenadvies voor parkeerstudies van Goudappel Coffeng is geaccepteerd, is niet relevant, aangezien dat rapport hier niet ter beoordeling staat. Voorts ziet het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 28 mei 1999 waarnaar appellante verwijst, niet op het voorliggende bouwplan, zodat dit ook niet als een deskundig tegenadvies kan dienen. Dat de rechtbank, naar appellante betoogt, ten onrechte heeft overwogen dat ook de door appellante in de plaats van het bouwplan voorgestane tennishal zorgt voor een toename van het benodigde aantal parkeerplaatsen in de directe omgeving, doet, wat hier ook van zij, niet af aan de onderbouwing in de parkeerstudies dat bij realisering van het bouwplan voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.

2.12.    Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de omstandigheid dat de uitkomst van de belangenafweging niet de door appellante gewenste is, niet inhoudt dat in heroverweging geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling en terecht bouwvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.13.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2006 in zaak nos. AWB 05/2814 en 05/3003, voor zover betrekking hebbende op het beroep van Initiatief Vereniging Peppelensteeg;

II.    verklaart het bij de rechtbank door Initiatief Vereniging Peppelensteeg ingestelde beroep gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 29 juni 2005, VH 2005/2318;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

V.    gelast dat de gemeente Ede aan Initiatief Vereniging Peppelensteeg het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 690,00 (zegge: zeshonderdnegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek      w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

328-488.