Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200601140/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 6 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) aan de gemeente Heerlen (hierna: vergunninghoudster) met vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van een gedeelte van het pand De Klomp (hierna: De Klomp) op het perceel Klomptraat 1 tot en met 9 te Heerlen (hierna: het perceel) voor gebruik als dag- en nachtopvang voor verslaafden en huisvesting voor gemeentelijke toezichthouders.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/226
OGR-Updates.nl 1001328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601140/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Uit de Klomp" en 23 anderen, allen gevestigd of wonend te Heerlen,

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/81, 06/80, 06/163, 06/133 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 3 februari 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 6 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) aan de gemeente Heerlen (hierna: vergunninghoudster) met vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van een gedeelte van het pand De Klomp (hierna: De Klomp) op het perceel Klomptraat 1 tot en met 9 te Heerlen (hierna: het perceel) voor gebruik als dag- en nachtopvang voor verslaafden en huisvesting voor gemeentelijke toezichthouders.

Bij besluit van 2 december 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2006, verzonden op 20 februari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.M.A. Huppertz en W. Buttolo, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, vergezeld door [projectleider] van de opvang als informant, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "City-Oost" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel onderscheidenlijk de bestemmingen "Centrumvoorzieningen en parkeergarage C+Vb(pg)" en "Centrumvoorzieningen en/of Maatschappelijke voorzieningen C/M".

   Niet in geschil is dat gebruik voor dag- en nachtopvang voor verslaafden van gronden met eerst vermelde bestemming niet is toegestaan. De voor het gedeelte van het perceel met deze bestemming verleende vrijstelling is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. Het college van gedeputeerde staten heeft bij besluit van 6 september 2005 verklaard tegen verlening van de vrijstelling geen bezwaar te hebben.

2.2.    Het bouwplan voorziet in de verbouwing van de begane grond van het oostelijke deel van De Klomp, waarin voorheen, gedeeltelijk onder een parkeergarage, winkels waren gevestigd. In het gebouw zullen 35 plaatsen voor nachtopvang van verslaafden worden gerealiseerd en een groter aantal plaatsen voor dagopvang. Tevens zijn kantoorruimtes voor toezichthouders voorzien.

2.3.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de keuze van het perceel als locatie voor dag- en nachtopvang onvoldoende zorgvuldig is geweest, nu het aanwijzingsbesluit voor de vestiging van een dag- en nachtopvang aan de Valkenburgerweg van 18 mei 2004 nooit is ingetrokken en de voorziene dag- en nachtopvang te klein is, omdat in De Klomp minder opvangplaatsen worden gerealiseerd dan in de op te heffen opvang aan de Rector Driessenweg aanwezig zijn. Daardoor zal in de buurt extra overlast ontstaan van verslaafden die niet kunnen worden opgevangen, aldus appellanten.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Het college heeft te beslissen over het bouwplan, zoals dat bij hem is ingediend. Indien dit bouwplan aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet aannemelijk is gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.

De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid voor vestiging van de dag- en nachtopvang in De Klomp heeft kunnen kiezen en dat deze keuze in de zogenoemde ruimtelijke onderbouwing en met het rapport van het Instituut voor Onderzoek naar leefwijzen & Verslaving van 7 november 2005 niet voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Nu het bouwplan bovendien geheel binnen het gedeelte van De Klomp met de bestemming "Centrumvoorzieningen en/of Maatschappelijke voorzieningen C/M" zou kunnen worden gerealiseerd, is de planologische inbreuk van de vrijstelling niet zo groot, dat de gegeven ruimtelijke onderbouwing daarvoor niet toereikend is. De voorzieningenrechter heeft evenzeer terecht in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat weliswaar niet kan worden uitgesloten dat de dag- en nachtopvang enige overlast in de buurt zal veroorzaken, maar dat met het opgestelde beheersplan het behoud van een aanvaardbaar woonklimaat in de omgeving van het perceel voldoende is verzekerd.

2.4.    Appellanten betogen verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de dag- en nachtopvang een geluidgevoelige bestemming in de zin van de Wet geluidhinder is en daarom ten onrechte niet is onderzocht of het bouwplan aan de in dat kader te stellen eisen voldoet. Daartoe voeren zij aan dat de dag- en nachtopvang een zorgvoorziening voor onbepaalde tijd is, aangezien doorstroming van verslaafden naar andere instellingen, zoals het college stelt, in feite niet zal plaatsvinden.

2.4.1.    Ook dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dag- en nachtopvang geen geluidgevoelige bestemming in de zin van de Wet geluidhinder is, nu gebruikers van het pand niet permanent in De Klomp zullen verblijven en geen sprake is van een zorginstelling.

2.5.    Appellanten hebben het betoog dat het college ten onrechte van de grenswaarde voor het groepsrisico met betrekking tot de externe veiligheid in relatie tot de nabij gelegen spoorlijn is afgeweken niet nader toegelicht.

De klacht dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college zonder deugdelijke motivering van de oriënteringswaarde voor het groepsrisico is afgeweken faalt daarom.

2.6.    Het betoog van appellanten ter zitting dat het bouwplan niet voldoet aan de grenswaarden in het Besluit luchtkwaliteit 2005 kan niet leiden tot het ermee beoogde resultaat, omdat het eerst ter zitting in hoger beroep aanvoeren van die nieuwe beroepsgrond zich niet met een goede procesorde verdraagt. Weliswaar hebben appellanten in het aanvullend hoger beroepschrift verwezen naar eerder ingebrachte stukken, doch daarin kan, bij gebreke van enige toelichting van hetgeen zij met betrekking tot de invloed van het bouwplan op de luchtkwaliteit hebben aan te voeren, geen beroepsgrond gelezen worden.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb      w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

71-507.