Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200601927/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 17 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) appellanten sub 1 en 2 onder oplegging van een dwangsom gelast binnen drie maanden na verzending van het besluit de op de achterstrook van het bedrijfsterrein aan de [locatie] te [plaats], gemeente Laarbeek (hierna: de strook) aangebrachte betonplaten, de daarop geparkeerde auto's, aanhanger(s), container(s) en andere bedrijfsmiddelen te verwijderen en verwijderd te houden en appellant sub 3 onder oplegging van een dwangsom gelast binnen drie maanden na verzending van het besluit de grondopslag op de achterstrook van het bedrijfsterrein aan de [locatie] te [plaats], gemeente Laarbeek (hierna tevens: de strook) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601927/1.

Datum uitspraak:13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Contact Beheer B.V.", gevestigd te Lieshout, gemeente Laarbeek,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Laarbeek, handelend onder [naam bedrijf],

3.    [appellant sub 3], wonend te Lieshout, gemeente Laarbeek,

appellanten

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/3144, 05/4453, 05/3147, 05/4455, 05/3149 en 05/4457 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 februari 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) appellanten sub 1 en 2 onder oplegging van een dwangsom gelast binnen drie maanden na verzending van het besluit de op de achterstrook van het bedrijfsterrein aan de [locatie] te [plaats], gemeente Laarbeek (hierna: de strook) aangebrachte betonplaten, de daarop geparkeerde auto's, aanhanger(s), container(s) en andere bedrijfsmiddelen te verwijderen en verwijderd te houden en appellant sub 3 onder oplegging van een dwangsom gelast binnen drie maanden na verzending van het besluit de grondopslag op de achterstrook van het bedrijfsterrein aan de [locatie] te [plaats], gemeente Laarbeek (hierna tevens: de strook) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij afzonderlijke besluiten van 5 december 2005 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2006, verzonden op 10 februari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2006, waar het college, vertegenwoordigd door M.L.M. van Heijnsbergen en M.J.L. van Heugten, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingplan

"Buitengebied, 1e herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de strook de bestemming "Landschapselement".

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Landschapselement" aangewezen gronden bestemd voor de instandhouding van de natuur- en landschappelijke waarden.

   Ingevolge artikel 26a, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden de in dit plan opgenomen gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

   Ingevolge artikel 26a, derde lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.2.    Niet in geschil is dat het gebruik van de strook in strijd is met de bestemming, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.2.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat legalisering door toepassing van de vrijstellingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 26a, derde lid, van de planvoorschriften mogelijk is, faalt. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat gebruik van de strook overeenkomstig de bestemming nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Niet is gebleken van een objectieve belemmering om de strook te gebruiken ten behoeve van de instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden. Anders dan appellanten betogen vormen de erfafscheidingen langs de strook niet een dergelijke objectieve belemmering, omdat, zoals het college ook met juistheid heeft aangegeven, de functie van de strook daardoor niet wordt aangetast.

2.3.1.    Het betoog van appellanten dat het college ten behoeve van het bedrijf Bavaria medewerking heeft verleend aan een bestemmingswijziging, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze bestemmingswijziging dateert van vóór het vigerende bestemmingsplan en van vóór het vigerende streekplan. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat van een vergelijkbare situatie geen sprake is.

2.4.    Eerst in hoger beroep betogen appellanten dat het college zijn inspanningsverplichting tot het wijzigen van het bestemmingsplan onvoldoende is nagekomen. Nu de voorzieningenrechter daarover geen oordeel heeft kunnen geven en niet valt in te zien dat appellanten dit niet eerder hebben kunnen aanvoeren, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

328-531.