Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200602243/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft verweerder krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) vastgesteld welke gebieden in de provincie Noord-Brabant deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur (hierna: de EHS). Dit besluit is op 22 februari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 113
Milieurecht Totaal 2006/4678
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602243/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"'t Schoutenhuis B.V.", gevestigd te Woudenberg,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel, gevestigd te Gemert,

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden,

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

6.    [appellant sub 6], wonend te [woonplaats], gemeente Drimmelen,

7.    [appellant sub 7], gevestigd te [woonplaats],

8.    [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9.    [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], gemeente Tilburg, en anderen,

10.    [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

11.    [appellant sub 11], wonend te [woonplaats] Oirschot,

12.    [appellant sub 12, wonend te [woonplaats], gemeente Baarle-Nassau,

13.    de maatschap "Maatschap Dictus", gevestigd te Achtmaal, gemeente Zundert,

14.    [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15.    [appellant sub 15], gevestigd te [plaats], gemeente Baarle-Nassau,

16.    [appellant sub 16], wonend te [woonplaats], gemeente Eersel,

17.    [appellant sub 17], wonend te [woonplaats], gemeente Gilze en Rijen,

18.    [appellant sub 18], gevestigd te [plaats], gemeente Alphen-Chaam,

19.    [appellant sub 19], gevestigd te [plaats], gemeente Eersel,

20.    [appellant sub 20], gevestigd te [plaats], gemeente Eersel,

21.    [appellant sub 21], wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden,

22.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Vastgoed Moorwijk B.V.", gevestigd te Boxtel, en anderen,

23.    [appellanten sub 23], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Zundert,

24.    [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],

25.    [appellant sub 25], wonend te [woonplaats], gemeente Eersel,

26.    [appellanten sub 26], beiden wonend te [woonplaats],

27.    [appellant sub 27], wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft verweerder krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) vastgesteld welke gebieden in de provincie Noord-Brabant deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur (hierna: de EHS). Dit besluit is op 22 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 28 juli 2006, ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 9, 22 en 23. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2006, waar appellanten sub 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 23, 25, 26, 27 in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.W.A.M. van 't Veer-Damen en dr. J.M.A.M. Clement, ambtenaren van de provincie. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau, vertegenwoordigd door J.F.M. Huijben, ambtenaar van de gemeente, als belanghebbende daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.1.    De Wav heeft betrekking op de ammoniakemissie afkomstig van tot veehouderijen behorende dierenverblijven. Hieruit volgt dat uitsluitend veehouderijen beperkingen in hun bedrijfsuitoefening kunnen ondervinden door toepassing van deze wet.

   Uit de stukken is gebleken dat appellanten sub 22 eigenaren zijn van percelen die binnen de bij het bestreden besluit vastgestelde EHS liggen. Op de betreffende percelen bevinden zich uitsluitend woonhuizen en geen tot een veehouderij behorende dierenverblijven. Voor deze appellanten vloeien uit de vaststelling van de EHS in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wav dan ook deswege geen beperkingen voort. Gelet hierop kunnen appellanten sub 22 niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het door hen ingediende beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.1.2.    Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat geen van de tot de inrichtingen van appellanten sub 9 behorende dierenverblijven is gelegen in de bij het bestreden besluit vastgestelde EHS noch in een zone van 250 meter rondom een gebied dat deel uitmaakt van de EHS. Uit de vaststelling van de EHS in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wav vloeien voor hen dan ook geen beperkingen voort. Gelet hierop kunnen appellanten sub 9 ook niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het door hen ingediende beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2.    Appellanten sub 23 wijzen er op dat zij reeds eerder beroep hebben ingesteld tegen een besluit van verweerder inzake de vaststelling van de EHS. Dit beroep is door de rechtbank Den Bosch doorgezonden aan de Afdeling. Het besluit van 10 januari 2006 moet volgens hen om die reden worden aangemerkt als een nader besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht het eerder ingediende beroep zich daar mede tegen richt.    

   Bij besluit van 2 juli 2002 heeft verweerder krachtens artikel 13 van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 en de artikelen 10 en 12 van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer, 11 natuurgebiedsplannen en het beheers- en landschapsgebiedsplan voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. De tegen dit besluit ingestelde beroepen, waaronder het beroep van appellanten sub 23, zijn door de rechtbank Den Bosch doorgezonden aan de Afdeling voor zover het betreft de gronden inzake de Wav. De Afdeling heeft bij de uitspraak van 21 december 2004 in zaak no. 200402014/2 en verder beslist op deze beroepen. Nu op het door appellanten sub 23 eerder ingestelde beroep reeds is beslist, kan het bestreden besluit niet worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellanten sub 23 is in zoverre derhalve niet-ontvankelijk.

2.3.    In artikel 1, eerste lid, van de Wav is bepaald dat onder EHS wordt verstaan de EHS, als bedoeld in het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II, 1989/90, 21 149, nrs. 2-3), zoals deze is begrensd door het provinciaal bestuur, of, voor zover deze begrenzing nog niet heeft plaatsgevonden, zoals deze is aangegeven in een plan als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav worden als kwetsbaar gebied aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de EHS, en:

a. onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Iav) als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Iav waren aangemerkt, of

b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Iav een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was, met ingang van het tijdstip waarop dat convenant niet meer van toepassing is.

   Krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wav stellen gedeputeerde staten voor de toepassing van het eerste lid bij besluit vast welke gebieden in hun provincie deel uitmaken van de EHS, voor zover dat onderscheidenlijk op zodanige wijze als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Een zodanig besluit gaat vergezeld van één of meer kaarten.

2.4.    Appellanten sub 9 en 24 voeren aan dat de status van bijlage 1 bij het bestreden besluit niet vaststaat.

   Deze bijlage betreft een toelichting op het bestreden besluit. De beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan reeds om die reden niet slagen.

2.5.    De begrenzing van de bij het bestreden besluit vastgestelde EHS is weergegeven op de bij dit besluit behorende kaarten. De EHS bestaat uit gebieden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wav, zoals bijvoorbeeld bossen, natuurelementen en landschapselementen, maar ook uit andere gebieden. Deze andere gebieden vormen veelal ecologische verbindingszones tussen de eerder genoemde gebieden of zijn uitbreidingen van deze gebieden.

2.5.1.    Appellanten sub 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21 en 24 voeren aan dat de begrenzing van de EHS te ruim is gesteld. Gebieden die niet als kwetsbaar zijn aangemerkt, maken volgens hen ten onrechte wel deel uit van de bij het bestreden besluit vastgestelde EHS. Appellanten sub 4, 8, 9 en 25 betogen dat gebieden van zeer geringe omvang, zoals bijvoorbeeld gebieden kleiner dan 5 hectare, ten onrechte in de EHS zijn opgenomen.

2.5.2.    De Afdeling overweegt dat - voor zover hier van belang - uit de Wav geen beperkingen voortvloeien indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf niet geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. Mogelijke beperkingen die voortvloeien uit opvolgende planologische besluiten, zullen in procedures tegen deze besluiten naar voren moeten worden gebracht.

   De Afdeling overweegt voorts dat het op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wav vereiste besluit tot vaststelling van de EHS slechts noodzakelijk is om, door het bevoegd gezag in een procedure tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer voor een veehouderij, vast te kunnen stellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. De beroepsgronden van appellanten, voor zover die betrekking hebben op de begrenzing van andere gebieden dan de gebieden bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wav, of de gevolgen daarvan, kunnen daarom niet slagen. Wat betreft de door appellanten aangevoerde omvang van de gebieden is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat de omvang voor verweerder niet bepalend is geweest bij de beoordeling van de vraag of een gebied in aanmerking komt voor opname in de EHS.

2.6.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op het Natuurbeleidsplan 1990 zoals genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wav en het Streekplan Noord-Brabant 2002. Blijkens het Natuurbeleidsplan 1990 bestaat de EHS uit kerngebieden: bestaande natuurgebieden en bossen, natuurontwikkelingsgebieden: tot natuurterrein om te vormen (landbouw)gronden en ecologische verbindingszones. In het Streekplan Noord-Brabant 2002 is aan de EHS invulling gegeven aan de hand van het begrip "Groene Hoofdstructuur" (hierna: de GHS). Dit is een samenhangend netwerk van alle natuur- en bosgebieden, landbouwgebieden en andere gebieden met bijzondere natuurwaarden, en landbouwgebieden die bijzondere potenties hebben voor de ontwikkeling van natuurwaarden. De GHS moet leiden tot verwezenlijking van de EHS. In de GHS zijn derhalve alle bestaande bos- en natuurgebieden ondergebracht met de ecologische verbindingszones daartussen, alsmede de reservaats- en natuurontwikkelingsgebieden die zijn begrensd in het kader van de EHS. Bij besluit van 22 mei 2001 heeft verweerder met de Natuurdoelenkaart de EHS globaal vastgesteld als beleidsregel. In de natuurgebiedsplannen welke onder meer natuurstreefbeelden bevatten voor alle bestaande natuurgebieden, is de EHS nader verbijzonderd. Deze natuurgebiedsplannen zijn vastgesteld bij besluit van verweerder van 2 juli 2002.

   Overeenkomstig het vorengenoemde heeft verweerder ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wav het bestreden besluit genomen. De Afdeling is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot dit besluit heeft mogen komen. In het betoog van appellanten sub 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21 en 24 dat de wijze waarop de begrenzing van de EHS tot stand is gekomen in strijd is met artikel 1, eerste lid, van de Wav, in het betoog van appellanten sub 9 en 24 dat verweerder zich ten onrechte heeft gebaseerd op kaarten behorende bij de natuurgebiedsplannen en geen onderzoek ter plaatse heeft gedaan en in het betoog van appellanten sub 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21 dat de EHS zoals vastgesteld bij de natuurgebiedsplannen afwijkt van de EHS zoals vastgesteld bij het Streekplan Noord-Brabant 2002, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het besluit van verweerder tot vaststelling van de natuurgebiedsplannen onherroepelijk is. Dat de vaststelling van deze plannen heeft plaatsgevonden nadat de Wav in werking is getreden is in dit verband niet van belang, nu de bij het bestreden besluit vastgestelde begrenzing van de EHS plaatsvindt krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wav. In het betoog van appellanten sub 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 23, 24, 25 en 27 dat onvoldoende rekening is gehouden met individuele (bedrijfseconomische) belangen - wat daarvan zij - ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft mogen komen.

   Deze beroepsonderdelen slagen niet.

2.7.    Appellanten sub 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 24 en 27 voeren aan dat verweerder op de kaarten behorende bij het bestreden besluit ten onrechte heeft aangegeven welke gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt in de zin van de Wav. Appellanten sub 3, 5 en 10 voeren daarnaast aan dat verweerder de ligging van de zone van 250 meter rondom het kwetsbare gebied in de nabijheid van hun inrichtingen op onjuiste wijze heeft aangegeven.

2.7.1.    Verweerder heeft op de kaarten bij het bestreden besluit slechts ter indicatie aangegeven waar mogelijk de als kwetsbaar aan te merken gebieden liggen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wav en de zones van 250 meter rond deze gebieden. Verweerder staat dan ook niet in voor de juistheid van de op de kaarten ter indicatie afgebeelde elementen.

2.7.2.    De Afdeling overweegt dat artikel 2, tweede lid, van de Wav zich niet verzet tegen de hiervoor beschreven handelwijze van verweerder. Gelet hierop treffen de beroepen in zoverre geen doel.

   In dit verband dient benadrukt te worden dat de aanwijzing van de kwetsbare gebieden door verweerder louter van indicatieve betekenis is. In een procedure tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer voor een veehouderij dan wel in het kader van enige andere wettelijke procedure waarbij dit aan de orde is, moet door het bevoegd gezag worden vastgesteld of een gebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wav als kwetsbaar moet worden aangemerkt en of een tot een veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, of in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

2.8.    Appellanten sub 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 23, 24, 25 en 27 voeren aan - kort samengevat - dat  door verweerder bepaalde percelen en gebieden ten onrechte als onderdeel van de EHS zijn aangemerkt. Volgens appellanten zijn in deze gebieden weinig tot geen natuurwaarden aanwezig, hetgeen onder meer blijkt uit de activiteiten die op deze percelen plaatsvinden, de bestemming die op deze percelen rust en de benaming van de betreffende gebieden.

2.8.1.     Zoals de Afdeling hiervóór reeds heeft geoordeeld heeft verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit mogen komen. Gelet hierop heeft verweerder zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellanten genoemde gebieden deel uitmaken van de EHS. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat in verband met het ter plaatse geldende bestemmingsplan een bepaald gebied ten onrechte in de EHS is opgenomen, overweegt de Afdeling dat de bestemming van het betreffende gebied in dit geval niet van belang is. Het gaat om de gronden van dat gebied, die overeenkomstig het beleid van verweerder voor opname in de EHS in aanmerking komen. Dit is niet afhankelijk van de activiteiten die op deze gronden worden verricht noch van de benaming die aan de betreffende gebieden is gegeven.

   Deze beroepsonderdelen treffen geen doel.

2.9.    Appellanten sub 9 en 24 voeren aan dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de wetgever de werkingssfeer van de Wav op korte termijn zal beperken tot de zeer kwetsbare natuur. Appellanten sub 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20 en 21 voeren eveneens aan dat het bestreden besluit in strijd is met toekomstige wijzigingen van de Wav.

2.9.1.    De Afdeling overweegt dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat hij niet gehouden was om te anticiperen op dan wel het nemen van het bestreden besluit aan te houden tot mogelijke toekomstige wijzigingen van de Wav. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bekend was hoe de Wav in de toekomst zou worden gewijzigd - zelfs een wetsvoorstel tot wijziging was op dat moment nog niet ingediend - zodat verweerder niet kon anticiperen op toekomstige wijzigingen van de Wav. Daarnaast moet worden vastgesteld dat verweerder ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wav in samenhang bezien met artikel 2, derde lid, van de Wav gehouden was het onderhavige besluit tijdig te nemen. Gelet op het vorenstaande treffen de beroepen in zoverre geen doel.

2.10.    Appellanten sub 9 en 24 voeren aan dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de toezeggingen die de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft gedaan inzake de begrenzing van de EHS.

2.10.1.    De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) heeft in een brief van 22 januari 2002 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer (EK, 2001-2002, 27835 en 27 836, nr. 143g) toegezegd om in bestuurlijk overleg met de provincies, in reconstructiegebieden te komen tot een zodanige begrenzing of wijziging van de begrenzing van de EHS dat een aantal gebieden van de werkingssfeer van de Wav wordt uitgezonderd. Daarbij zou het in de praktijk vooral gaan om een drietal categorieën:

1. natuurelementen die het minst gevoelig zijn voor ammoniakdepositie;

2. delen van multifunctionele bossen;

3. kleine natuurgebieden tot een grootte van ongeveer 10 ha.

2.10.2.    De door de minister destijds genoemde categorieën zijn niet uitgezonderd van de werking van de Wav. Gelet hierop bieden de door de minister gedane toezeggingen, wat daar verder ook van zij, naar het oordeel van de Afdeling geen ruimte om af te wijken van de wet. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.11.    Appellante sub 1 heeft gesteld schade te ondervinden ten gevolge van het bestreden besluit. Appellanten sub 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 17, 19, 20, 21, 23, 24, 25 en 27 hebben gesteld beperkingen te ondervinden in de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijf als gevolg van het bestreden besluit. Appellante sub 7 voert aan dat het bosperceel in de nabijheid van zijn inrichting in het reconstructieplan "Boven-Dommel" een B-status toegekend heeft gekregen. Deze status verdraagt zich volgens appellante niet met het feit dat het gebied in de EHS is opgenomen.      Appellanten sub 2, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 21 voeren aan dat de gebieden die deel uitmaken van de EHS niet overeenkomen met de gebieden die onderdeel vormen van de gebiedsplannen, zoals die zijn vastgesteld in de reconstructieplannen van de provincie Noord-Brabant. Als gevolg hiervan worden bedrijven, die conform de Reconstructiewet in een verwevingsgebied liggen en over uitbreidingsmogelijkheden beschikken, met het bestreden besluit  belemmerd. Appellanten sub 9 en 24 betogen dat het bestreden besluit gevolgen heeft voor de toepassing van de Reconstructiewet in de provincie Noord-Brabant.

2.11.1.    Voor zover appellanten hebben gesteld planologische beperkingen te ondervinden, of ten gevolge van deze beperkingen schade te lijden, herhaalt de Afdeling dat het bestreden besluit slechts noodzakelijk is om, door het bevoegd gezag in een procedure tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer voor een veehouderij, te kunnen vaststellen welke van de in artikel 2, eerste lid, onder a of b, van de Wav bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Uit het bestreden besluit vloeien geen planologische beperkingen voort. Dergelijke beperkingen zouden het gevolg kunnen zijn van andere besluiten waarbij de vraag of recht bestaat op nadeelcompensatie aan de orde kan komen. Het bestreden besluit betreft voorts niet de Reconstructiewet.

   Wat betreft de beperkingen of schade die zich volgens appellanten voordoen bij besluiten tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer overweegt de Afdeling, dat - wat daarvan zij - deze beperkingen of schade rechtstreeks voortvloeien uit de artikelen 4 tot en met 7 van de Wav. Het bestreden besluit houdt, gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Wav, een afgrenzing in van het gebied waarin deze beperkingen of schade zich kunnen voordoen, maar is zelf niet de oorzaak van deze beperkingen of schade.

   Deze beroepsonderdelen treffen geen doel.

2.12.    Appellanten sub 23 voeren aan dat de gronden ten zuiden van de Turfvaart ten onrechte als voor verzuring gevoelig worden beschouwd.

   Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan om die reden niet slagen. De Afdeling merkt overigens op dat in een procedure tot vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer de vraag aan de orde moet komen of een gebied als voor verzuring gevoelig moet worden beschouwd.

2.13.    Appellanten sub 26 hebben - kort samengevat - aangevoerd dat handhavend moet worden opgetreden tegen een houtimpregneerbedrijf dat aan de rand van de EHS is gelegen.

   Deze gronden van appellanten sub 26 richten zich niet tegen het bestreden besluit. Het beroep van deze appellanten is in zoverre ongegrond.

2.14.    Appellanten sub 1, 6, 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 25 en 26 hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Vorengenoemde appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.15.    De beroepen van appellanten sub 9, en sub 22 zijn niet-ontvankelijk. Het beroep van appellanten sub 23 is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. De beroepen van appellanten sub 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 24, 25, 26 en 27 zijn ongegrond.

2.16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellanten sub 9, sub 22 en sub 23, voor zover het het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 2 juli 2002 betreft, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 23 voor het overige ongegrond;

III.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 24, 25, 26 en 27 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma      w.g. Plambeck

Voorzitter      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

159-443.