Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200601376/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied, 10e wijziging" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601376/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied, 10e wijziging" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 januari 2006, kenmerk RMW0600816/126/14, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 16 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2006, en [appellant sub 2] bij brief van 19 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2006, waar [appellant sub 2] is verschenen. Als partij is gehoord het college van burgemeester en wethouders van Veere, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen-van der Hoek, ambtenaar van de gemeente, en de Dienst Landelijk Gebied, vertegenwoordigd door mr. drs. H.F.A.M. Schuurmans. [Appellant sub 1] en verweerder zijn niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in de wijziging van de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemmingen "landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (al)" en "landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en agrarische randzone (alr)" in de bestemming "Natuurgebied (N)" met de subbestemming "nb (bos)". De wijzigingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 14, elfde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingplan "Buitengebied". De wijziging maakt de aanleg van een bos met onder meer ruiterpaden, wandelpaden en een verbindingsdam van het plangebied naar zomerhuizenterrein "Het Kustlicht I" mogelijk.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat daarmee de aanleg van een verbindingsdam van het plangebied naar het zomerhuizenterrein "Het Kustlicht I" mogelijk wordt gemaakt. Daartoe betogen zij dat een aantal betrokkenen geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerp van het wijzigingsplan toen dit ter visie lag, aangezien zij in de veronderstelling verkeerden dat zij konden volstaan met de tijdens de inspraakprocedure geuite bezwaren.

   Voorts betogen appellanten dat functionarissen van de Dienst Landelijk Gebied en een ambtenaar van de gemeente tijdens een gesprek met een delegatie van de Belangenvereniging van Eigenaren van zomerhuizenterrein "Het Kustlicht I" de indruk hebben gewekt dat de dam op een andere dan de voorziene locatie zou komen.

   Vervolgens voeren appellanten aan dat door de aanleg van de verbindingsdam de sociale onveiligheid en de geluidsoverlast zullen toenemen. Bovendien zal de verbindingsdam volgens appellanten leiden tot extra autoverkeer bij hun woningen terwijl de parkeervoorzieningen en de infrastructuur daarop niet zijn berekend. Zij wijzen op een alternatieve locatie. Ten slotte betogen zij dat het gemeentebestuur een aantal onderzoeksrapporten niet aan hen heeft toegezonden, hoewel daarom was verzocht.

Het standpunt van verweerder

2.5.     Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Verweerder onderschrijft de weerlegging van de zienswijzen door het gemeentebestuur.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    [appellanten sub 1 en sub 2] zijn eigenaar van de zomerhuizen [locatie 1], respectievelijk [locatie 2], op het zomerhuizenterrein "Het Kustlicht I", dat grenst aan de westkant van het plangebied.

2.6.2.    De verbindingsdam is voorzien in de sloot die is gelegen aan de westkant van het plangebied. De dam sluit aan op de reeds aanwezige doodlopende weg op het zomerhuizenterrein "Het Kustlicht I". Een deel van de sloot maakt deel uit van het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied". Daarbij was aan de thans aan de orde zijnde gronden de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemmingen "landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (al)" en "landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en agrarische randzone (alr)" toegekend. Het overige deel van de sloot maakt deel uit van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Zomerhuizenterrein Het Kustlicht" waarbij aan dat deel de bestemming "Water" is toegekend.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Ten aanzien van het procedurele bezwaar van appellanten overweegt de Afdeling dat de inspraakprocedure een onderdeel van de besluitvormingsprocedure betreft dat onderscheiden dient te worden van het indienen van zienswijzen. Dit betekent dat een bezwaar dat is ingediend in het kader van een inspraakprocedure, niet tevens als een bezwaar in het kader van een zienswijzeprocedure kan gelden. Daarvoor is vereist dat een op schrift gestelde zienswijze wordt ingediend tegen het ontwerp van een wijzigingsplan.

   Overigens is onder het recht zoals dat op dit geding van toepassing is, het indienen van een zienswijze niet vereist voor het kunnen instellen van beroep, zodat deze mogelijkheid openstond voor degenen die meenden te kunnen volstaan met hun inspraakreactie.

2.7.1.    Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de indruk was gewekt dat de dam op een andere dan de voorziene locatie zou worden aangelegd, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat een ambtenaar van de gemeente een dergelijke indruk heeft gewekt, zij voorts niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze gestelde gewekte indruk kan worden toegerekend aan het college van burgemeester en wethouders.

   Overigens staat in het inspraakverslag van 26 juli 2005, dat aan appellanten is toegezonden, dat er geen alternatieve ontsluiting mogelijk is.

2.7.2.    Gelet op de omstandigheid dat de verbindingsdam voorziet in een ontsluiting van het gebied waarin zich wandelpaden bevinden, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de dam zal leiden tot geluidsoverlast en dat de intensiteit van het autoverkeer ernstig zal toenemen. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat er in de nabije omgeving van de verbindingsdam voldoende alternatieve locaties aanwezig zijn om te parkeren zodat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de parkeerdruk nabij de verbindingsdam ernstig zal toenemen. Voorts is het niet aannemelijk dat de aanleg van de verbindingsdam zal leiden tot een toename van de sociale onveiligheid.

2.7.3.    Ten aanzien van de alternatieve locatie die appellanten hebben voorgesteld, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.7.4.    Het betoog van appellanten dat het gemeentebestuur een aantal onderzoeksrapporten niet aan hen heeft toegezonden, kan tenslotte, wat hier verder ook van zij, geen grond vormen voor een gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit, nu er op grond van een wettelijke bepaling noch enig rechtsbeginsel een verplichting bestaat voor verweerder om rapporten toe te zenden.

2.7.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling    

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

177-472.