Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200605242/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) geweigerd aan appellant een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorvoertuigen van de categorieën B en E bij B af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605242/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2382 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen".

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) geweigerd aan appellant een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorvoertuigen van de categorieën B en E bij B af te geven.

Bij besluit van 15 november 2005 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 augustus 2006 heeft het CBR van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2006, waar alleen het CBR, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol-de Vries, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief verklaringen van geschiktheid door het CBR afgegeven aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

       In artikel 103, eerste lid, van het Reglement is bepaald dat indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, het CBR voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid afgeeft.

2.1.1.    In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Stcrt. 2000, 99, gewijzigd bij Stcrt. 2002, 20, Stcrt. 2004, 50 en Stcrt. 2004, 106, hierna: de Regeling) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   In die bijlage is in paragraaf 8.8 ("Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)") bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2.    Het CBR heeft de weigering om aan appellant een verklaring van geschiktheid af te geven gebaseerd op de rapportage van een op 25 mei 2005 door de psychiater R. Graveland (hierna: Graveland) uitgevoerd onderzoek, waaruit deze concludeert dat er ten aanzien van appellant nog diverse aanwijzingen zijn van voortgaand alcoholmisbruik.

2.3.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat gelet op het geneeskundig onderzoek niet kan worden geoordeeld dat het CBR zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van alcoholmisbruik in de zin van paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat op basis van alleen een verhoogd percentage carbohydraat-deficiënt transferrine (hierna: CDT-waarde) niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van alcoholmisbruik. In dit verband verwijst hij naar een uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege te 's-Gravenhage van 3 juni 2003. Voorts voert hij aan dat zijn %CDT-waarde niet was verhoogd vanwege alcoholmisbruik, maar omdat hij polio heeft gehad en medicijnen gebruikt.

    Verder voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat bij het geneeskundig onderzoek geen rekening mocht worden gehouden met de uitslag van het bloedonderzoek van 27 april 2005, aangezien dat onderzoek niet door Graveland maar door hemzelf is aangevraagd.

   Ten slotte voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het tijdsverloop van meer dan een jaar sedert het op 25 mei 2005 verrichtte onderzoek.

2.4.    De Afdeling stelt voorop dat het in het kader van de door appellant ingediende aanvraag om hernieuwde afgifte van een rijbewijs aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij gestopt is met het eerder vastgestelde alcoholmisbruik. Ook bij de door het CBR ingeschakelde deskundige lag die beoordeling voor. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het CBR zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant niet, in weerwil van de bevindingen van de deskundige, aannemelijk heeft gemaakt met voormeld misbruikt te zijn gestopt.

   Daarbij is van belang dat Graveland in zijn rapportage concludeert dat er, anders dan appellant op de door hem ingevulde "Eigen verklaring" heeft vermeld, bij appellant diverse aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik, zoals enkele lichamelijke afwijkingen en een verhoogde CDT-waarde. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat die rapportage niet aan de besluitvorming van het CBR ten grondslag mocht worden gelegd omdat slechts op basis van de CDT-waarde is geconcludeerd tot alcoholmisbruik mist dan ook feitelijke grondslag.

   Anders dan appellant betoogt, is de rechtbank niet voorbij gegaan aan zijn betoog dat de uitslag van het op 27 april 2005 uitgevoerde bloedonderzoek onrechtmatig door Graveland is verkregen, zodat die uitslag buiten beschouwing moest worden gelaten. Op andere dan de door haar gebezigde gronden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat dit betoog appellant niet kan baten. In het kader van de advisering ten behoeve van de bestuursrechtelijke besluitvorming door het CBR diende Graveland voormelde uitslag slechts buiten beschouwing te laten indien die uitslag door hem was verkregen op een wijze, die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende adviseur van het bestuur mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Hiervan is in dit geval geen sprake. Het op 27 april 2005 uitgevoerde bloedonderzoek is gedaan met hetzelfde doel en binnen hetzelfde kader als het in opdracht van Graveland op 25 mei 2005 uitgevoerde bloedonderzoek. Graveland heeft niet om de uitslag van het niet in zijn opdracht uitgevoerde onderzoek gevraagd. Die uitslag is hem door het betrokken laboratorium dat beide opdrachten had gekregen, spontaan toegezonden. Onder die omstandigheden kon van Graveland, gegeven het op de verkeersveiligheid betrokken kader waarin hij zijn advies diende uit te brengen, niet worden gevergd die uitslag te negeren.

   De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat appellant niet met - bijvoorbeeld - de resultaten van een deskundigenonderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat de op 27 april 2005 verhoogde CDT-waarde anders dan door alcoholmisbruik is veroorzaakt.

   Voor zover appellant heeft bedoeld te betogen dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gegeven dat sprake is van een recidiefvrije periode van een jaar als bedoeld in voornoemde paragraaf 8.8, is van belang dat dit betoog reeds faalt omdat de rechtbank geen rekening kon houden met omstandigheden die dateren van na de beslissing op bezwaar.

2.5.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het CBR zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat bij appellant sprake is van alcoholmisbruik. Gezien de gevaren die het gebruik van alcohol oplevert voor de verkeersveiligheid is de Afdeling voorts met de rechtbank van oordeel dat het CBR in dit geval tot het oordeel mocht komen dat appellant niet geschikt is voor het besturen van motorrijtuigen.

2.6.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met enige verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.7.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Michiels van Kessenich, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Michiels van Kessenich

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

450.