Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200601761/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] geweigerd toestemming te geven om een horecabedrijf te vestigen in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601761/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/589 van de rechtbank Utrecht van 20 januari 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] geweigerd toestemming te geven om een horecabedrijf te vestigen in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand).

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2006, verzonden op 23 januari 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 1 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 juni 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2006, waar het college, vertegenwoordigd door A.E. Schaap-Huijgen en C.J. van der Krans-Oskamp, ambtenaren van de gemeente, en [wederpartij] in persoon zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In het pand exploiteert [wederpartij] een delicatessenwinkel. Vaststaat dat het door [wederpartij] gewenste gebruik van het pand in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Spakenburg West (hierna: het bestemmingsplan). Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel, voor zover van belang, de bestemming "Detailhandel en dienstverlening".

2.2.    Bij besluit van 27 januari 2005, waarbij het college zijn besluit van 10 juni 2004 heeft gehandhaafd, heeft het college geweigerd vrijstelling te verlenen voor het vestigen van een horecabedrijf omdat het college totdat een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld, waarin het gewenste horecabeleid zal worden vastgelegd, geen uitbreiding van het aantal horecapanden wil toestaan.    

   Tevens heeft het college bij het besluit van 27 januari 2005 geoordeeld dat [wederpartij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 1999, 2001 en 2003 heeft verzocht om vrijstelling om in het pand een horecabedrijf te vestigen, zodat het beroep van [wederpartij] op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich ter zitting, in afwijking van het in het besluit van 27 januari 2005 gestelde, op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] in ieder geval reeds in 2001 een mondeling verzoek om vrijstelling heeft gedaan, en dat om die reden het besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

   Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 7:2 van de Awb door [wederpartij] niet meer toe te laten tot de hoorzitting van de bezwaarcommissie, hoewel hij slechts enkele minuten te laat was. Door het college zijn onvoldoende omstandigheden naar voren gebracht die de beslissing om [wederpartij] niet meer toe te laten tot de hoorzitting rechtvaardigen, zo heeft de rechtbank overwogen.

2.4.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 27 januari 2005 onvoldoende is gemotiveerd doordat ter zitting bij de rechtbank aan dit besluit een andere motivering ten grondslag is gelegd dan in het besluit zelf is neergelegd.

   Verder betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] niet is toegelaten tot de hoorzitting. Daarbij wijst zij erop dat [wederpartij] eerst na het sluiten van de hoorzitting is verschenen.

2.4.1.    Deze betogen slagen. Nog daargelaten dat een ter zitting gegeven motivering die niet overeenkomt met de motivering zoals neergelegd in het besluit van 27 januari 2005, er niet zonder meer toe leidt dat daarmee de grondslag van de motivering van dat besluit wordt gewijzigd of dat de motivering reeds vanwege de ter zitting gegeven toelichting ondeugdelijk zou zijn, is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat de door het college ter zitting gegeven toelichting niet het verzoek om vrijstelling dat ten grondslag ligt aan de weigering, betreft. Andere verzoeken zijn als zodanig in het onderhavige geval niet aan de orde. Verder zijn in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van gelijke gevallen de door [wederpartij] in 1999, 2001 en 2003 mogelijk gedane verzoeken om vrijstelling niet relevant, nu in die periode door het college een ander vrijstellingbeleid werd gevoerd.

   Vast staat dat [wederpartij] deugdelijk is uitgenodigd voor de hoorzitting ter behandeling van zijn bezwaar en dat hij bij de aanvang daarvan niet was verschenen. [wederpartij] stelt dat hij zich enkele minuten na aanvang van de hoorzitting heeft gemeld; volgens het college verscheen [wederpartij] ongeveer een kwartier na aanvang van de hoorzitting, toen de behandeling van zijn bezwaar beëindigd was. Uit het van het verhandelde ter hoorzitting opgemaakte proces-verbaal blijkt niet dat de feitelijke gang van zaken anders is geweest dan het college stelt. De rechtbank heeft dan ook op grond van de stukken niet kunnen oordelen dat het college in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld.

   Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.5.    [wederpartij] heeft betoogd dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen weigeren. Daarbij wijst hij erop dat hij bij zijn detailhandelsbedrijf al 24 jaar in de zomer horeca-activiteiten ontplooit, te weten een terras waarop broodjes en (alcoholische) dranken worden geserveerd.

2.5.1.    Het besluit van 27 januari 2005 bevat als motivering van de weigering slechts een verwijzing naar het door het college gehanteerde beleid om in afwachting van een nieuw bestemmingsplan geen vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan. Niet is gebleken dat het college de belangen aan de kant van [wederpartij] bij het verlenen van de vrijstelling bij de afweging heeft betrokken. Daarbij is van belang dat onweersproken is gebleven dat [wederpartij] reeds jarenlang bij zijn detailhandelsbedrijf een terras exploiteert. Het besluit van 27 januari 2005 is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft het ingestelde beroep terecht gegrond verklaard.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. Nu echter het dictum van de aangevallen uitspraak juist is, dient deze, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waar deze op rust;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bunschoten aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink       w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

163-530.