Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200601633/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de dakoverstekken die in afwijking van de verleende bouwvergunning zijn aangebracht op de dakopbouw van het pand [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601633/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1615 en AWB 05/1610 van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de dakoverstekken die in afwijking van de verleende bouwvergunning zijn aangebracht op de dakopbouw van het pand [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 21 april 2004 heeft het dagelijks bestuur geweigerd appellant vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vondelpark- en Concertgebouwbuurt" (hierna: het bestemmingsplan) en geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen ter legalisatie van de in afwijking van de verleende bouwvergunning gerealiseerde dakopbouw.

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft het dagelijks bestuur het door appellant tegen het besluit van 21 april 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 juni 2005 heeft het dagelijks bestuur het door appellant tegen het besluit van 9 december 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) de tegen deze besluiten door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.    

Bij brief van 27 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S.P. Dalmolen, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. B. Akciger, ambtenaar van het dagelijks bestuur, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De weigering vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan is hoofdzakelijk gebaseerd op een door het dagelijks bestuur gehanteerde vaste gedragslijn. Deze gedragslijn houdt, voor zover van belang, in dat voor een dakopbouw in het door het bestemmingplan bestreken gebied uitsluitend een vrijstelling wordt verleend indien de oppervlakte van de dakopbouw niet groter is dan 6 m2. Deze maat is gerelateerd aan de ruimte die benodigd is om vanuit een lager gelegen verdieping het dak te betreden. Omdat volgens het dagelijks bestuur de oppervlakte van de dakopbouw met dakoverstekken groter is dan 6 m2 en vanwege ongewenste precedentwerking die van verlening van vrijstelling zou uitgaan, is vrijstelling geweigerd.    

2.2.    Appellant betoogt dat bij het bepalen van het ruimtelijk beslag van het bouwwerk de dakoverstekken buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

2.2.1.    Dit betoog faalt. In aanmerking nemende dat de in de beleidslijn aangehouden maat van 6 m2 ertoe strekt om de omvang van dakopbouwen tot een functioneel minimum te beperken kan aan het dagelijks bestuur niet de bevoegdheid worden ontzegd om in het kader van de vrijstellingverlening mede aandacht te schenken aan de ruimtelijke uitstraling die een concreet bouwplan voor een dakopbouw heeft als gevolg van onderdelen van het bouwwerk waarmee dat vloeroppervlak wordt overschreden. De door pylonen ondersteunde dakoverstekken geven de in geding zijnde dakopbouw de ruimtelijke uitstraling van een bouwwerk dat ruim groter is dan voor de toegang tot het dak noodzakelijk is. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Het dagelijks bestuur heeft het bouwwerk dan ook kunnen aanmerken als strijdig met de in het kader van vrijstellingverlening aangehouden gedragslijn.

2.3.    Appellant betoogt dat, nu enkel welstandsargumenten ten grondslag liggen aan de gedragslijn en de welstandscommissie positief heeft geadviseerd over het bouwplan, de rechtbank heeft miskend dat vrijstelling in redelijkheid niet kon worden geweigerd. Appellant wijst erop dat de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de bezwaarcommissie.

2.3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de beslissing op bezwaar voldoende is gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van de bezwaarcommissie. Anders dan waarvan de bezwaarcommissie in haar advies is uitgegaan, is de vaste gedragslijn niet uitsluitend gebaseerd op welstandsargumenten, maar mede op stedenbouwkundige argumenten. De verwijzing in dit verband door appellant naar de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2005 in zaak no. 200406150/1 leidt niet tot het beoogde doel, nu uit deze uitspraak niet volgt dat het dagelijks bestuur stedenbouwkundige argumenten niet zou mogen betrekken bij de beoordeling van een bouwplan.

   De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur bij de beoordeling van het bouwplan de stedenbouwkundige argumenten met betrekking tot het voorkomen van dichtslibbing van het open daklandschap en het intact houden van het dakaanzicht in dit geval doorslaggevend kon achten. De rechtbank heeft daarbij terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de wijze waarop toepassing is gegeven aan de gedragslijn in dit geval niet voldoende heeft gemotiveerd.

    De stelling van appellant dat voor precedentwerking niet behoeft te worden gevreesd aangezien de welstandscommissie in voorkomende gevallen strikt aan de maat van 6 m2 pleegt vast te houden, leidt niet tot een ander oordeel nu niet valt in te zien dat bouwwerken als door appellant opgericht elders ondenkbaar zouden zijn.

   De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling voor het bouwplan te weigeren.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

163-530.