Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
200601935/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder aan Venlo Trade Port B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de op- en overslag van koopmansgoederen op het perceel Tjalkkade 16 te Venlo. Dit besluit is op 3 februari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601935/1.

Datum uitspraak: 13 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de regionaal inspecteur Vrom-Inspectie Regio Zuid, gevestigd te Eindhoven,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "HKB Ketelbouw B.V." en andere, gevestigd te Venlo,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder aan Venlo Trade Port B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de op- en overslag van koopmansgoederen op het perceel Tjalkkade 16 te Venlo. Dit besluit is op 3 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 15 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 15 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 augustus 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1 en van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2006, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. O.W. de Hollander en drs. D. Claessens, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.H. Sanders en ing. J.P.L. Jansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Venlo.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten sub 2 hebben de gronden inzake de kwantitatieve risicoanalyse, het aantal containers en het ontbreken van een tweede alternatieve vluchtroute niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk is.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellant sub 1 voert aan dat de bij de aanvraag behorende risicoanalyse niet toereikend is om de risico's vanwege het in werking zijn van de inrichting naar behoren te kunnen beoordelen. Hij verwijst hierbij naar het door hem gevraagde advies aan het Centrum voor Externe Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) en betoogt in dit kader dat de plaatsgebonden risicocontour mogelijk ruimer is dan waarvan verweerder is uitgegaan, waardoor de mogelijkheid bestaat dat (beperkt) kwetsbare objecten binnen de contour zijn gelegen. Hij vreest verder dat sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Hij stelt in dit verband dat de bij de risicoanalyse behorende tekening waarop de ligging van de risicocontour is weergegeven, niet overeenkomt met de bij de aanvraag behorende tekening van de inrichting. Hij betoogt verder dat ten onrechte is gerekend met een grid van 50 meter, volgens hem had gebruik moeten worden gemaakt van een fijner grid. Hij stelt daarnaast dat onduidelijkheid bestaat over de gehanteerde scenario's en de doorzet van gevaarlijke stoffen binnen de inrichting.

2.5.    Binnen de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend vindt opslag van goederen plaats in tank- en boxcontainers. In de containers worden milieugevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen opgeslagen. Niet in geschil is dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Besluit) op de inrichting van toepassing is en dat in verband daarmee het plaatsgebonden en het groepsrisico ten aanzien van de onderhavige inrichting moeten worden vastgesteld. Voor het plaatsgebonden risico ter plaatse van kwetsbare objecten geldt op grond van artikel 6, eerste lid, van het Besluit een grenswaarde van 10-6 per jaar. Voor het plaatsgebonden risico ter plaatse van beperkt kwetsbare objecten geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op grond van artikel 12 van het Besluit is sprake van een verantwoordingsplicht inzake het groepsrisico. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde, zijnde een indicatie van een acceptabel groepsrisico, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is de (gecumuleerde) kans van 10-5 per jaar voor een ongeval met 10 of meer slachtoffers, 10-7 per jaar voor 100 of meer slachtoffers en 10-9 per jaar voor 1000 of meer slachtoffers.

2.5.1.    Vergunninghoudster heeft bij de aanvraag het rapport "Kwantitatieve risicoanalyse voor de aanvraag Wet milieubeheer van Venlo Trade Port B.V." van 9 augustus 2005, uitgevoerd door DGMR, gevoegd. Daarin wordt geconcludeerd dat het plaatsgebonden risico op ongeveer 100 meter vanaf de kade en het "stackgebied" (het stapelingsgebied) ligt en het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft. Dit rapport is eerst na het nemen van het bestreden besluit ter advisering voorgelegd aan het RIVM, dat bij brief van 20 april 2006 een aantal opmerkingen en kanttekeningen heeft geplaatst bij de onderbouwing van het rapport en het daarin geboden inzicht in de risico's vanwege de inrichting. Verweerder heeft vervolgens op deze brief gereageerd.

2.5.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder zich nader op het standpunt heeft gesteld dat de uitgevoerde risicoanalyse niet toereikend is en opnieuw moet worden uitgevoerd. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor een andere conclusie. Gelet hierop is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.    Gelet op het vorenstaande is het beroep van appellant sub 1 gegrond. Het beroep van appellanten sub 2 is niet-ontvankelijk. Nu het externe veiligheidsaspect doorslaggevend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd.

2.7.    Ten aanzien van appellant sub 1 is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken. Ten aanzien van appellanten sub 2 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellant sub 1 gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo van 31 januari 2006, kenmerk BLMIL/WM 17620;

IV.    gelast dat de gemeente Venlo aan appellant sub 1 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll           w.g. Fransen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006

407