Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ3728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
200602171/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis met garage op het perceel [locatie 1] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602171/1.

Datum uitspraak: 6 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/1055 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 2 februari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis met garage op het perceel [locatie 1] te [plaats].

Bij besluit van 21 februari 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2006, verzonden op 8 februari 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2006, waar appellant en zijn echtgenote, in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. Martens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn de erven van [vergunninghouder], [partij] en [partij], (hierna: de erven), daar verschenen, bijgestaan door mr. G.C. Kooijman.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 18 juli 1957 is bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis op het perceel, thans plaatselijk bekend [locatie 2] te [plaats].

   Bij besluiten van 13 juni 1972 en 9 april 1979 is bouwvergunning verleend voor respectievelijk een uitbreiding van het woonhuis en het vergroten van het woonhuis met badkamer.

   In 1997 is ten behoeve van de vergunde uitbreiding van het woonhuis daaraan het officiële huisnummer [locatie 1] toegekend.

   De panden aan de [locatie 2] en [locatie 1] zijn steeds als afzonderlijke wooneenheden in gebruik geweest.

   De onderhavige vrijstelling en bouwvergunning zien op het geheel vernieuwen van de woning met garage aan de [locatie 1].

2.2.    Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied (1994) Helvoirt" staat ter plaatse slechts één woning toe. Ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan waren ter plaatse reeds twee woningen aanwezig. Het college is voornemens te bevorderen dat bij de eerst volgende herziening van het bestemmingsplan twee bestemmingen "woondoeleinden" worden toegewezen nu het toewijzen van slechts één woonbestemming op een vergissing berust heeft.

2.3.    Anders dan appellant heeft betoogd is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de op 13 juni 1972 verleende bouwvergunning ziet op de bouw van een tweede zelfstandige wooneenheid ter plaatse. Zulks blijkt met name uit tekeningen die bij de in 1979 verleende bouwvergunning behoren.

2.4.    Voorts is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen.

   Weliswaar heeft appellant gesteld dat als gevolg van het uitvoeren van het bouwplan de schoorsteen van zijn bijkeuken vermoedelijk niet goed meer zal functioneren en dat hij een verhoging van de schoorsteen esthetisch onaanvaardbaar vindt, doch het college heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat de erven hebben verklaard bereid te zijn de schoorsteen op hun kosten te verhogen, waartoe een door de welstandscommissie goedgekeurde bouwtekening aan het college is verstrekt. Ook hebben de erven zich bereid verklaard het nadeel voor appellant anderszins te compenseren.

   Gelet hierop heeft de rechtbank kunnen oordelen dat het college in redelijkheid het belang van de erven bij het vernieuwen van de woning en het verbeteren van de woonkwaliteit zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van appellant in dit verband.

2.5.    Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd biedt evenmin aanknopingspunten om tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank te komen.

2.6.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet heeft verleend. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers      w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006

202