Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ3726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
200600533/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Heumen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 februari 2005, het bestemmingsplan "Looistraat herziening 2004-1" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600533/1.

Datum uitspraak: 6 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Heumen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Heumen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 februari 2005, het bestemmingsplan "Looistraat herziening 2004-1" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 november 2005, kenmerk RE2005.28916, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 januari 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op 18 januari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek hebben appellanten nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Meulepas, advocaat te Nijmegen, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Heumen, vertegenwoordigd door A.C. Kneppers, ambtenaar van de gemeente, alsmede Reka Vastgoed B.V. en [partij], vertegenwoordigd door mr. C.M.A. Delissen-Buijnsters, advocaat te Arnhem.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in de bouw van vier woningen op een perceel gelegen tussen [locaties].

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Appellanten voeren daartoe aan dat het plangebied in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, herziening 2003" had moeten worden opgenomen.

   Appellanten stellen daarnaast dat het plangebied een uitbreidingslocatie is en het gemeentebestuur over een locatievisie moet beschikken waaruit de noodzaak voor de ontwikkeling van de uitbreidingslocatie blijkt. Een dergelijke visie ontbreekt volgens appellanten. De concessieovereenkomst tussen de gemeente Heumen en de stadsregio Knooppunt Arnhem-Nijmegen (hierna: KAN) kan niet als zodanige visie dienen.

   Bovendien menen appellanten dat in de concessieovereenkomst de bebouwingscontouren in Heumen ten onrechte om de uitbreidingslocatie zijn getrokken.

   Voorts zijn de te bouwen woningen te duur en is het plan in strijd met het gemeentelijk beleid, zoals verwoord in de gemeentelijke woonvisie, het provinciaal kwalitatief woonprogramma 2000-2009 en artikel 2.3 van de concessieovereenkomst, waarin is bepaald dat 90% van de nieuwbouw in betaalbare huur- en koopsector alsmede de middeldure huur moet worden gerealiseerd.

   Verder stellen appellanten dat niet wordt voldaan aan de ingevolge het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) minimaal aan te houden afstand van 50 meter tussen het agrarisch bedrijf [locatie a] (hierna: het bedrijf) en de nieuwe woningen. Appellanten stellen in dat kader dat verweerder ten onrechte heeft gemeten vanaf de loods in plaats van de nog bestaande varkensstal.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht wat betreft het plandeel met de bestemming "Woningbouw" voor zover gelegen binnen 50 meter vanaf de loods op het perceel van het bedrijf en heeft daaraan in zoverre goedkeuring onthouden. Voor het overige heeft verweerder het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en hieraan goedkeuring verleend.

   Wat betreft het bedrijf heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit binnen de bebouwde kom ligt. Volgens verweerder is sprake van agrarische activiteiten van ondergeschikte betekenis en is het ter plaatse onmogelijk nieuwe agrarische activiteiten te beginnen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, herziening 2003" de opstallen waarin deze agrarische activiteiten plaats vinden de bestemming "Agrarische doeleinden I" hebben gekregen, maar geen bouwblok is opgenomen, zodat deze opstallen onder het overgangsrecht zijn geplaatst.

   In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de aan te houden afstand tussen voormeld agrarisch bedrijf en het bouwblok voor de nieuwe woningen in het bestreden besluit ten onrechte is uitgegaan van 50 meter. Volgens verweerder kan, mede gezien de geringe omvang van de activiteiten van het bedrijf, met een kortere afstand worden volstaan.

Vaststelling van de feiten

2.6.    In het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) is onder meer het volgende vermeld:

"In het provinciaal beleid voor stedelijke ontwikkeling wordt onderscheid gemaakt tussen 'bestaand bebouwd gebied' en stedelijke uitbreiding. Het accent van de provinciale beleidsambities ligt op de vernieuwing en het beheer en onderhoud van bestaand bebouwd gebied.

(…)

Voor de vernieuwing van het bestaand bebouwd gebied wil de provincie dat in de streekplanperiode:

•    de (in WGR-verband) samenwerkende gemeenten hun ambitie voor herstructurering en intensivering (inbreiding) van bestaand bebouwd gebied vast leggen;

•    (…)

(…)

Om voor de planperiode te voorzien in de afstemming tussen het programma voor stedelijke functies en ruimtelijke kenmerken heeft de provincie afspraken gemaakt met de WGR-regio's om indicatief de reservering van uitbreidingsruimte voor stedelijke functies uit te werken. De WGR-regio's zullen de benodigde uitbreidingsruimte met begeleiding van de provincie uitwerken in "zoekzones" voor stedelijke functies. Gemeentelijke visies voor wonen en werken kunnen hiervoor mede als basis dienen. De regionale uitwerkingen voor de zoekzones voor stedelijke functies worden als uitwerkingen van dit streekplan vastgesteld. De goedkeuringsprocedure van gemeentelijke plannen binnen deze zoekzones kan zodoende worden vereenvoudigd.

Voor het bepalen van de zoekzones voor stedelijke functies worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

•    Zoekzones voor stedelijke functies zijn alleen aan de orde voor uitbreidingslocaties buiten bestaand bebouwd gebied;

•    Op de beleidskaart is het bestaand bebouwd gebied per 1-1-2000 weergegeven (op basis van VROM-bestand). (…)

•    (…)

•    Tot het moment van vaststelling van de zoekzones als streekplanuitwerking moeten afzonderlijke gemeenten beschikken over locatievisies waaruit de noodzaak blijkt om in de vorm van uitbreiding het programma voor wonen en/of werken te realiseren. (…).

•    (…)"

2.7.    Op 19 februari 2004 heeft de gemeenteraad een woningbouwstrategie en een faseringsvisie vastgesteld. In de faseringsvisie worden de grootschalige inbreidings- en uitbreidingslocaties alsmede de particuliere inbreidingslocaties beschreven.

2.8.    In het provinciaal kwalitatief woonprogramma 2000-2009, vastgesteld op 20 april 2004, is vermeld dat de KAN-regio als methode voor het bereiken van haar woningbouwambities een samenspel van ruimtelijke contouren en kwalitatieve afspraken/inspanningsverplichtingen gebruikt. Hierbij wordt ernaar gestreefd in de gemeenten minimaal 50% van de nieuwbouw in de betaalbare huur en koopsector te laten plaatsvinden.

2.9.    In het kader van regionale afspraken over het woningbouwprogramma, hebben het gemeentebestuur en de KAN-regio op 27 mei 2004 een overeenkomst getekend. In deze "Overeenkomst concessie woningbouw 2004-2009" (hierna: de concessieovereenkomst) heeft het gemeentebestuur zich geconformeerd aan een nieuw beleidskader voor nieuwbouwmogelijkheden, prestatieafspraken voor woningdifferentiatie en overige inspanningsverplichtingen. Daarbij is voor de periode 2004-2009 geen woningbouwcontingent vastgesteld maar is een bebouwingscontour aangegeven waarbinnen uitbreiding moet plaatsvinden.

2.10.    Het plangebied is gelegen buiten bestaand bebouwd gebied zoals aangegeven op de bij het streekplan bijgevoegde kaart maar binnen de bebouwingscontour zoals aangegeven op de bij de concessieovereenkomst gevoegde kaarten.

2.11.    In artikel 2.1 van de concessieovereenkomst is bepaald dat van het gemeentelijke bouwprogramma minimaal 50% in de sociale huur, de middeldure huur en de betaalbare koop wordt gebouwd.

2.12.    In artikel 2.3 van de concessieovereenkomst is bepaald dat wanneer de uitbreidingslocatie buiten de bebouwingsgrens is gelegen, 90% van de nieuwbouw, in de sociale huur, de middeldure huur en de betaalbare koop wordt gebouwd.

2.13.    Bij brief van 23 april 2004 heeft verweerder aangegeven in te stemmen met de uitwerking van het kwalitatieve woonbeleid middels het afsprakenkader voor concessies en contouren, zoals het KAN blijkens de concessieovereenkomst voorstaat en het KAN en het gemeentebestuur van Heumen nadien op 27 mei 2004 zijn overeengekomen.

2.14.    Op de percelen [locatie a] staan twee woningen, een loods, een schuur en een voormalige varkensstal. [eigenaar] en zijn [zoon] exploiteerden op deze percelen tot 1999 een veehouderij. In 1999 is het bedrijf verplaatst naar Grave en in 2000 is gestopt met het houden van vee aan [locatie a]. In het jaar 2000 is voor het bedrijf aan [locatie a] een melding ingediend op grond van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit). In 2001 is de milieuvergunning ingetrokken. De woningen op de percelen [locatie a] worden sindsdien gebruikt als burgerwoning. De loods, de schuur en de voormalige varkensstal worden door [zoon] gebruikt voor de opslag van materialen en machines ten behoeve van het akkerbouwgedeelte van zijn agrarisch bedrijf.

2.15.    Bij uitspraak van 7 juli 2004, zaakno. 200306037/1, heeft de Afdeling in het kader van het beroep tegen het bestemmingplan "Looistraat", waarin destijds ook de percelen [locatie a] waren opgenomen, het volgende overwogen:

"Gelet op de vorenstaande feiten heeft verweerder kunnen stellen dat op [locatie a] geen volwaardig agrarisch bedrijf meer is gevestigd. Zijn standpunt dat een agrarisch bouwblok daarom niet in de rede ligt, acht de Afdeling niet onredelijk.

(…)

Voor wat betreft de schuur, de stal en de loods staat echter vast dat deze nog steeds worden gebruikt voor agrarische doeleinden. Dit gebruik, dat hoofdzakelijk het stallen van materiaal betreft, is in het plan niet als zodanig bestemd. Ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad niet voornemens is dit gebruik te doen beëindigen. Het is dan ook niet aannemelijk dat de thans aan de gronden gegeven woonbestemming binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening."

2.16.    In het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, herziening 2003" hebben de loods, de schuur en de stal de bestemming "Agrarische doeleinden I" gekregen. Er zijn geen bouwvlakken ten behoeve van deze opstallen opgenomen.

2.17.    Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Besluit is dit niet van toepassing op een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt dat is opgericht:

a. na de datum van inwerkingtreding van het besluit en dat is gelegen op minder dan:

1º. 50 m afstand van een bebouwde kom;

2º. 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;

b. vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen op minder dan:

1º. 25 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object;

2º. 10 m afstand van een woning van derden of een gevoelig object voor het geval geen dieren bedrijfsmatig worden gehouden en er geen bewaring van dunne mest plaatsvindt in een bassin dat tot stand is gebracht voor 1 juni 1987.

2.18.    De bebouwde kom van Heumen begint ter hoogte van het perceel [locatie]. Het bedrijf ligt binnen 50 meter van de bebouwde kom.

2.19.    De varkensstal is het onderdeel van het bedrijf dat het dichtst bij het bouwblok ten behoeve van de woningen is gelegen. De afstand van de varkensstal tot aan de in het plan voorziene woningen bedraagt ongeveer 44 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.20.    De Afdeling overweegt dat tussen de gronden opgenomen in het plan, mede gelet op de omstandigheid dat het plan voorziet in woningbouw, en de gronden binnen het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, herziening 2003" niet een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat de gronden van het plangebied in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, herziening 2003" opgenomen hadden moeten worden.

2.21.    Vast staat dat het plangebied buiten bestaand bebouwd gebied ligt als vermeld in het streekplan. Derhalve is sprake van een uitbreidingslocatie buiten bestaand bebouwd gebied.

2.22.    Vast staat dat de hiervoor onder 2.6. genoemde zoekzones voor stedelijke functies nog niet zijn vastgesteld. Gelet hierop dient op grond van het streekplan, teneinde woningbouw mogelijk te maken buiten bestaand bebouwd gebied, de gemeente te beschikken over een locatievisie, waaruit de noodzaak blijkt om in de vorm van uitbreiding het programma voor wonen te realiseren.

2.23.    Gelet op de door de gemeenteraad vaststelde strategie voor de woningbouw en de faseringsvisie, alsmede de tussen het KAN en het gemeentebestuur van Heumen op 27 mei 2004 gesloten concessieovereenkomst, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende onderbouwing is gegeven aan nut en noodzaak van de woningbouwlocaties voor de regionale woningbouwtaakstelling. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan de eisen met betrekking tot het benutten van inbreidingslocaties alvorens uitbreidingslocaties te benutten. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarom aan het gestelde vereiste van een locatievisie is voldaan.

2.24.    Voor zover appellanten stellen dat in de concessieovereenkomst de contouren in Heumen ten onrechte om de uitbreidingslocatie zijn getrokken, merkt de Afdeling op dat deze concessieovereenkomst en de daarbij gevoegde kaarten thans geen onderwerp van geschil zijn. Daarbij merkt de Afdeling voorts op dat het KAN de vrijheid heeft om vooruitlopend op een streekplanuitwerking, haar beleid met betrekking tot de reservering van uitbreidingsruimte voor stedelijke functies, reeds vast te stellen middels een concessieovereenkomst.

2.25.    Ingevolge artikel 2.3 van de concessieovereenkomst geldt de eis dat 90 % van de nieuwbouw in betaalbare huur- en koopsector alsmede de middeldure huursector moet worden gerealiseerd slechts ingeval de uitbreiding buiten de op de bij de concessieovereenkomst bijgevoegde kaarten weergegeven bebouwingscontour plaatsvindt. Daarvan is geen sprake aangezien de uitbreiding binnen deze bebouwingscontour is voorzien. Op grond van artikel 2.1. van de concessieovereenkomst en het provinciaal kwalitatief woonprogramma geldt in dit geval het vereiste dat minimaal 50% in de sociale huur, de middeldure huur en de betaalbare koop wordt gebouwd. Niet is gebleken of gesteld dat binnen de gemeente de vereiste differentiatie van minimaal 50% in de betaalbare sector niet wordt gehaald.

2.26.    Voor zover appellanten betogen dat niet aan de in ingevolge het Besluit in acht te nemen afstand tussen het bedrijf en de in het plan voorziene woningen wordt voldaan, overweegt de Afdeling dat het bedrijf binnen 50 meter van de bebouwde kom ligt. Gelet op het bepaalde onder artikel 1, tweede lid, sub a en onder 1º, van het Besluit valt het agrarisch bedrijf derhalve niet onder de werkingsfeer van het Besluit.

2.27.    Dit laat onverlet dat in een situatie waarin een nieuwe woning in de nabijheid van een akkerbouwbedrijf planologisch wordt mogelijk gemaakt, een goed woon- en leefklimaat dient te worden gewaarborgd. De Afdeling overweegt dat nu er geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf en de loods, schuur en varkensstal onder het overgangsrecht vallen, het bedrijf in zijn agrarische activiteiten is beperkt en dat deze activiteiten bovendien zullen worden afgebouwd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand tussen de varkensstal en het bouwblok voor de nieuwe woningen toereikend is vanuit het oogpunt van de waarborging van een goed woon- en leefklimaat.

2.28.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover thans van belang, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder, voor zover thans van belang, terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.29.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Taal

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006

325-525.