Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ3713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
200601858/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen [vergunninghoudster A] en [vergunninghoudster B] gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 86 met annotatie van F.R. Vermeer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601858/1.

Datum uitspraak: 6 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bergen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. Awb 05/397 en Awb 05/1066 van de rechtbank Roermond van 18 januari 2006 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen [vergunninghoudster A] en [vergunninghoudster B] gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [vergunninghoudster B] een vergunning verleend voor het houden van een kampeerterrein.

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, het tegen de gedeeltelijke weigering handhavend op te treden door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 juni 2005 heeft het college het tegen het besluit tot vergunningverlening van 23 november 2004 door [verzoekers] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de vergunning van 23 november 2004 vervangen door een nieuwe vergunning.

Bij uitspraak van 18 januari 2006, verzonden op 26 januari 2006, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het tegen beide beslissingen op bezwaar door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 april 2006 hebben [verzoekers] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.N.J. Kerkhoff, werkzaam bij de gemeente, en [verzoekers] in de persoon van [gemachtigden] zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) wordt onder kampeerovereenkomst verstaan: overeenkomst tussen de houder van een kampeerterrein en degene die een kampeermiddel plaatst of geplaatst houdt betreffende het plaatsen of geplaatst houden daarvan.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wor kan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts worden verleend indien:

a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, slechts worden verleend:

a. indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. voor zover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.

2.2.    Op 9 augustus 1988 is een vergunning verleend op grond van artikel 14 van de toen geldende Kampeerwet voor het exploiteren van een kampeerplaats op de percelen "Bergen (L), sectie […], nrs. […]" te Wellerlooi (hierna: het hoofdgedeelte). Op 1 december 1997 is deze vergunning aangepast aan de Wor. Op 21 februari 2000 is een vergunning verleend op grond van de Wor voor de uitbreiding van de camping op het perceel "Bergen (L) sectie […], nr. […]" te Wellerlooi (hierna: het uitbreidingsgedeelte).

   [verzoekers], omwonenden van het kampeerterrein, hebben, voor zover thans van belang, het college op 19 december 2003 gevraagd handhavend op te treden tegen het gebruik van het uitbreidingsgedeelte als kampeerterrein, omdat de feitelijk exploitante van het uitbreidingsgedeelte, [vergunninghoudster A], daarvoor geen vergunning heeft en derhalve handelt in strijd met de Wor.

2.3.    Het college heeft het verzoek om handhavend op te treden wegens strijd met de Wor bij besluit van 1 juni 2004 afgewezen. Daartoe heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [vergunninghoudster A] weliswaar handelt in strijd met de Wor, aangezien hij geen houder is van een kampeervergunning en derhalve niet bevoegd is om kampeermiddelen op een terrein te (doen laten) plaatsen, maar dat het college op 12 mei 2004 een aanvraag heeft ontvangen van [vergunninghoudster B] voor een vergunning voor zowel het hoofdgedeelte als het uitbreidingsgedeelte en dat, nu de indeling van het terrein niet wezenlijk verschilt van de huidige vergunde situatie, concreet uitzicht op vergunningverlening en daarmee op legalisatie van de met de Wor strijdige situatie bestaat.

2.4.    Het college heeft vervolgens bij besluit van 23 november 2004, onder intrekking van de vergunningen van 9 augustus 1988 en 21 februari 2000, aan [vergunninghoudster B] vergunning verleend voor het houden van een kampeerterrein op het hoofdgedeelte en op het uitbreidingsgedeelte. Bij besluit van 14 juni 2005 heeft het college de daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaren gedeeltelijke gegrond verklaard. Na te hebben vastgesteld dat alsnog aan alle voorwaarden voor vergunningverlening is voldaan, heeft het college [vergunninghoudster B] opnieuw de gevraagde vergunning verleend.

2.5.    Het college richt zijn hoger beroep onder meer tegen de overweging van de rechtbank dat, kort gezegd, in feite [vergunninghoudster A] het kampeerterrein op het uitbreidingsgedeelte houdt, en dat het college, wetende dat niet de [vergunninghoudster B], als vergunninghouder, maar een ander voor eigen rekening aldaar een kampeerterrein zou gaan houden, de vergunning voor wat betreft het uitbreidingsgedeelte heeft afgegeven voor een ander doel dan waarvoor de vergunningverlening is bedoeld, te weten het houden van een kampeerterrein door de vergunninghouder. Het college betoogt dat de Wor en de toelichting daarop geen duidelijkheid geven omtrent wat moet worden begrepen onder het "houden van een kampeerterrein", zoals vermeld in artikel 8 van de Wor. Volgens het college dient aansluiting te worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik, wordt met "houden" "exploiteren" bedoeld en wordt "exploiteren" gedefinieerd als "(een zaak) tegen vast loon of tegen provisie voor rekening van een ander beheren". Nu uit de beheers- en samenwerkingsovereenkomst die is gesloten tussen, kort gezegd, [vergunninghoudster A] en [vergunninghoudster B] volgt dat het beheer van het uitbreidingsgedeelte volledig in handen is gelegd van [vergunninghoudster B] en dat [vergunninghoudster A] bovendien een vaste vergoeding voor deze werkzaamheden betaalt aan [vergunninghoudster B], is [vergunninghoudster B] volgens het college degene die het kampeerterrein op het uitbreidingsgedeelte houdt. Derhalve is volgens het college terecht aan haar vergunning verleend.

2.5.1.    Voor het verlenen van een vergunning als de onderhavige is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, niet vereist dat de (beoogd) vergunninghouder eigenaar is van het kampeerterrein en de kampeermiddelen. Wel wordt hij in de hiervoor aangehaalde bepalingen van de Wor aangemerkt als houder van het terrein. Uit artikel 1, aanhef en onder d, van de Wor vloeit voort dat de houder van het kampeerterrein degene is die de kampeerovereenkomst, als bedoeld in die bepaling, aangaat met de degenen die kampeermiddelen plaatsen en dat hij zodanige zeggenschap heeft over de exploitatie van het kampeerterrein, dat hij in staat is om daadwerkelijke naleving van voormelde overeenkomst en alle overige gestelde voorschriften te garanderen. Mede gelet op de uit de beheers- en samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende aansprakelijkheid van [vergunninghoudster A] voor het uitbreidingsgedeelte en de aan haar opgelegde zorgplicht in het kader van het naleven van de reglementen en brandveiligheidsvoorschriften, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [vergunninghoudster A] het kampeerterrein op het uitbreidingsgedeelte houdt. Het enkele feit dat [vergunninghoudster B] enige beheerstaken op zich neemt, maakt haar niet tot houder van het kampeerterrein. Van belang is dat [vergunninghoudster B] feitelijk geen zeggenschap heeft over de exploitatie van het terrein en derhalve niet in staat kan worden geacht om daadwerkelijke naleving van de gestelde voorschriften te garanderen. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college de vergunning voor wat betreft het uitbreidingsgedeelte in de huidige vorm niet had mogen verlenen. Reeds daarom heeft de rechtbank het besluit van 14 juni 2005 terecht vernietigd.

2.6.    Nu de bij bestreden besluit gehandhaafde vergunning op naam is gesteld van degene die niet als houder kan worden aangemerkt, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen concreet uitzicht op legalisatie en mocht het college derhalve niet afzien van handhavend optreden. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het verzoek om zodanig optreden op onjuiste gronden is afgewezen.

2.7.    Het betoog van het college dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [verzoekers] op basis van een toevoeging werden bijgestaan door een rechtsbijstandverlener en derhalve het college in strijd met artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten onrechte heeft veroordeeld tot een bedrag van € 664,00, te betalen aan de griffier, in plaats van aan [verzoekers], faalt bij gebrek aan belang.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.  

2.9.    Van proceskostenveroordeling die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. Van der Smissen

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006

419